WHO WE ARE SERVICES RESOURCES




Most recent stories ›
AgroInsight RSS feed
Blog

Ignoring signs from nature January 23rd, 2022 by

Nederlandse versie hieronder

Ignoring signs from nature

An eye-opening book by Mark Kurlansky helps readers to reflect on current societal choices by diving into the history of a topic that may at first seem uninspiring, the cod.

For more than a thousand years Europeans have fished in remote waters, thousands of kilometres from their homeland. Conflicts between nations over fishing have an equally long and dynamic history. Until the last century, rules and regulations in the industry only aimed at securing and protecting trade (and therefore political power), never on protecting the carrying capacity of our natural system.

The North Atlantic Cod, which is a fish that lives on the bottom of the ocean, was typically caught with fishing lines, and overfishing was never at stake, or at least not until last century.

Already by the 13th century, merchants from northern Germany organised trade across Europe through their Hanseatic League. Gradually, they expanded fishing regulations in the northern waters of the Atlantic, from the Baltic Sea all the way to Iceland. Even as relations between nations shifted over the centuries, the Basques in northern Spain and southwest France were little bothered by these rules. They caught whales and cod, mainly for the Mediterranean market, while avoiding fishing grounds where other nations were active.

As early as the year 1000, the Basques had greatly expanded the international cod trade. While they had the advantage of being able to dry sea salt by evaporation, something countries further north were not able to do, they were also remarkable ship builders. Some 500 years before Columbus, the Basques were already fishing the world’s richest cod grounds along the coast of Canada, in the waters now called the Grand Banks. While other countries were keen to claim the discovery of new lands, the Basques were pragmatic traders and preferred to keep their fishing ground secret for as long as possible.

But when there are riches to harvest, secrets get out sooner or later. The 16th century gold rush to the southern part of the Americas was soon followed by the cod rush to the northern part, at first by Portugal and Spain, later also by the English, French, Dutch and Scandinavians. Access to salt to preserve fish for the trip home became a necessity as sailors explored fishing grounds across the Atlantic. (The wars fought over salt and its role in the fish and other trade are described in Kurlansky’s other inspiring book, Salt.)

In an address to the International Fisheries Exhibition in London in 1883, British scientific philosopher Thomas Henry Huxley used Darwin’s theory to convince the world that over-fishing was an unscientific and unreasonable fear. Nature would send signals as fish stocks dropped. The bountiful harvests in the northwest Atlantic gave a false impression that cod could never be extinguished, notwithstanding the observations of fishermen. This blind belief in the ability of nature to cope with human interference and the arrogant attitude to dismiss local knowledge would be reflected in Canadian government policy for the next hundred years.

While discoveries such as the telegraph allowed fishermen to learn about market prices and receive warnings about storms, fishing vessels and methods also started to change, enabling greater catches year after year.

In fact, by the 1890s, just ten years after Huxley gave his convincing speech to world leaders, fish stocks were already showing signs of depletion in the North Sea. People turned a blind eye. Instead of thinking about conservation, European fleets moved on to richer waters around Iceland. As traditional fishing with fish lines had been replaced by trawlers, nets that sweep the ocean floor entangled any fish it encountered with devastating effect on ocean biodiversity. Trawlers require more energy than the muscles of seafarers can provide, so the new ships were made possible by the introduction of the steam engine.

In Canada, the fishing grounds of the Grand Banks were at first still spared from these technological developments partly because Canadian fishermen stuck to their traditional fishing lines which required far less investment. And because the expense of using coal discouraged the European fleets from crossing the Atlantic. But it was just matters of years. Coal was soon replaced by diesel and industrial fishing boats began trawling for cod.

Capture of the Atlantic northwest cod stock in million tonnes

In the 1950s, the frozen fish stick dealt a final blow to the seemingly endless cod stocks. The breaded, tasteless fish sticks in cardboard boxes became an instant commercial success, making it “a pleasure for families to prepare, serve and eat” according to one of the adverts of that time. This change in consumption behaviour led to such a sharp increase in unsustainable fishing practices that the cod stock completely collapsed in the 1990s.

We are currently facing tremendous challenges such as climate change and loss of biodiversity, because of the way we produce and consume our food. How many more signs do we need from nature before we start to take proper decisions? Debate is all well and good, unless one side is simply wrong. Environmental arguments should not continue until human greed causes natural disaster.

Credit

Photo of cod: © Gilbert Van Ryckevorsel / WWF-Canada.

Time series for the collapse of the Atlantic northwest cod stock, capture in million tonnes. Based on FishStat database FAO. Copyright by Epipelagic under Creative Commons license CC BY-SA 3.0.

Further reading 

Mark Kurlansky. 1999. Cod. A Biography of the Fish that Changed the World. Vintage: ‎ Random House UK, 304 pp.

Related Agro-Insight blogs

A history worth its salt

Fishing changes

When the bees hit a brick wall

From Uniformity to Diversity

 

Signalen van de natuur negeren

Mark Kurlansky heeft een boek geschreven dat de lezer helpt na te denken over de huidige maatschappelijke keuzes, door in de geschiedenis te duiken van een onderwerp dat op het eerste gezicht misschien weinig inspirerend lijkt: de kabeljauw.

Al meer dan duizend jaar vissen Europeanen in afgelegen wateren, duizenden kilometers van hun vaderland. Conflicten tussen naties over de visserij hebben een even lange en dynamische geschiedenis. Tot in de vorige eeuw waren de regels en voorschriften in de sector uitsluitend gericht op het veiligstellen en beschermen van de handel (en dus van de politieke macht), nooit op het beschermen van de draagkracht van ons natuurlijk systeem.

De Noord-Atlantische kabeljauw, een vis die op de bodem van de oceaan leeft, werd meestal gevangen met vislijnen, en overbevissing was nooit aan de orde, althans niet tot in de vorige eeuw.

Reeds in de 13e eeuw organiseerden kooplieden uit Noord-Duitsland via hun Hanzesteden de handel in heel Europa. Geleidelijk aan breidden zij de visserijvoorschriften in de noordelijke wateren van de Atlantische Oceaan uit, van de Oostzee helemaal tot IJsland. Zelfs toen de betrekkingen tussen de naties in de loop der eeuwen veranderden, hadden de Basken in Noord-Spanje en Zuidwest-Frankrijk weinig last van deze regels. Zij vingen walvissen en kabeljauw, hoofdzakelijk voor de mediterrane markt, en vermeden visgronden waar andere naties actief waren.

Reeds in het jaar 1000 hadden de Basken de internationale kabeljauwhandel sterk uitgebreid. Terwijl zij het voordeel hadden dat zij zeezout konden drogen door verdamping, iets waartoe landen verder naar het noorden niet in staat waren, waren zij ook opmerkelijke scheepsbouwers. Ongeveer 500 jaar vóór Columbus visten de Basken reeds op ‘s werelds rijkste kabeljauwgronden langs de kust van Canada, in de wateren die nu de Grand Banks worden genoemd. Terwijl andere landen graag de ontdekking van nieuwe landen opeisten, waren de Basken pragmatische handelaars en hielden zij hun visgronden liever zo lang mogelijk geheim.

Maar als er rijkdommen te oogsten zijn, komen geheimen vroeg of laat aan het licht. De 16e-eeuwse goudkoorts naar het zuidelijke deel van Amerika werd al snel gevolgd door de kabeljauwkoorts naar het noordelijke deel, eerst door Portugal en Spanje, later ook door de Engelsen, Fransen, Nederlanders en ScandinaviĂ«rs. Zout om de vis te bewaren voor de thuisreis werd een noodzaak toen de zeelieden de visgronden aan de overzijde van de Atlantische Oceaan verkenden. (De oorlogen die om zout werden uitgevochten en de rol die zout speelde in de handel in vis en andere producten worden beschreven in Kurlansky’s andere inspirerende boek, Salt).

In een toespraak tot de Internationale Visserij Tentoonstelling in Londen in 1883, gebruikte de Britse wetenschappelijke filosoof Thomas Henry Huxley de theorie van Darwin om de wereld ervan te overtuigen dat overbevissing een onwetenschappelijke en onredelijke angst was. De natuur zou signalen afgeven als de visbestanden afnamen. De overvloedige oogsten in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan wekten de valse indruk dat de kabeljauw nooit zou kunnen uitsterven, niettegenstaande de waarnemingen van de vissers. Dit blinde geloof in het vermogen van de natuur om met menselijke verstoringen om te gaan en de arrogante houding om plaatselijke kennis terzijde te schuiven, zouden de volgende honderd jaar hun weerslag vinden in het Canadese regeringsbeleid.

In feite vertoonden de visbestanden in de Noordzee in de jaren 1890, slechts tien jaar nadat Huxley zijn overtuigende toespraak voor de wereldleiders had gehouden, reeds tekenen van uitputting. Iedereen kneep een oogje dicht. In plaats van na te denken over natuurbehoud, verplaatsten de Europese vloten zich naar rijkere wateren rond IJsland. De traditionele visvangst met vislijnen was inmiddels vervangen door boten met sleepnetten die de oceaanbodem schoonvegen en alle vis verstrikken die ze tegenkomen, met verwoestende gevolgen voor de biodiversiteit in de oceanen.

In Canada bleven de visgronden van de Grand Banks aanvankelijk nog gespaard van deze technologische ontwikkelingen, deels omdat de Canadese vissers vasthielden aan hun traditionele vislijnen die veel minder investeringen vergden. En omdat de kosten van het gebruik van steenkool de Europese vloten ervan weerhielden de Atlantische Oceaan over te steken. Maar het was slechts een kwestie van jaren. Steenkool werd al snel vervangen door diesel en industriële vissersboten begonnen met de sleepnetvisserij op kabeljauw.

Vangst van noordwest Atlantische kabeljauw in millioen ton

In de jaren 1950 deelde de bevroren visstick een laatste klap uit aan de schijnbaar eindeloze kabeljauwbestanden. De gepaneerde, smaakloze vissticks in kartonnen dozen werden een onmiddellijk commercieel succes, waardoor het “voor gezinnen een plezier werd om te bereiden, op te dienen en te eten” volgens een van de advertenties uit die tijd. Deze verandering in het consumptiegedrag leidde tot zo’n sterke toename van niet-duurzame visserijpraktijken dat het kabeljauwbestand in de jaren negentig volledig instortte.

Door de manier waarop wij ons voedsel produceren en consumeren, staan wij momenteel voor enorme uitdagingen, zoals de klimaatverandering en het verlies van biodiversiteit. Hoeveel signalen van de natuur hebben we nog nodig voordat we de juiste beslissingen gaan nemen? Debatteren is allemaal goed en wel, tenzij Ă©Ă©n partij het gewoon bij het verkeerde eind heeft. De milieudiscussie moet niet worden voortgezet tot de hebzucht van de mens een natuurramp veroorzaakt.

Hügelkultur January 9th, 2022 by

Nederlandse versie hieronder

Hügelkultur

In my previous blog “Capturing carbon in our soils” I gave some examples of how to store carbon in a healthy, living soil by adding compost and mulch, reducing ploughing and using plants to create a permanent soil cover. But there is also a more direct way of adding carbon to the soil, a technique called hĂŒgelkultur, a name which may not be the easiest to pronounce, but the concept is quite simple.

Hügelkultur is a German term meaning “mound cultivation.” In this method one builds garden beds using woody material, some nitrogen-rich material such as grass clippings or manure, and soil with compost arranged in long, tunnel-shaped mounds. The wood can be piled directly on top of the soil, or placed in dug out trenches. Depending on the size of the logs or branches that form the core of the mound, the wood can take 10 to 15 years to completely decompose. Over the years, your soil life and soil structure improve.

A major benefit is that the beds enriched with organic matter hold water much better. As my wife Marcella and I used to frequently travel for longer periods for work, we were not always sure we would be at home to water our garden, so we figured this technique would suit us well. Especially since our soil is very sandy and does not retain water well. So, we started with our first hĂŒgelbed some 3 years ago.

First we dug out a 10-meter long, one-meter wide trench to a depth of 40 cm. Then we cleaned up a lot of the old wooden logs and pruned branches of sick trees. We covered the branches with chunks of grass sod turned upside down, and finally we topped the bed up with the top soil and compost. The bed was about 1.2 meter high. We thought from now on, growing vegetables would be easier with less need for watering, but it turned out slightly differently.

As we had no clear idea yet what we would plant the first year, we decided to sow a mix of wild flowering plants to provide food for pollinators, such as bees, bumble bees, hover flies and butterflies. Within less than 2 months the bed was exploding with colours and the buzzing was a feast for the ears. This was a great idea, and it gave us some time to think through what vegetables and herbs we would plant the coming season, and how to arrange the crops on the bed.

After we installed the wood bed the next 2 summers were extremely dry, so even though we thought that we would experience the benefits of the raised bed starting in the second year, it turned out that we still needed to water it on a weekly basis. At first, I was puzzled that the buried wood was not holding water, but then I realized that on top of the wood we had deposited a double layer of grass sod (we just had too much of it). This had created a thick layer that roots of our tomatoes and other plants could not penetrate to reach the deeper parts of the bed where the moist wood was slowly decomposing.

Marcella also realized that planting on a slope is not as easy as the simplified drawings show on permaculture websites. Also, when watering the water readily flowed down the slope without having time to infiltrate. It looked like our soil structure was still not optimal even though the entire bed was covered with a mix of plants: both flowering wild ones and cultivated ones. To keep water from flowing down the slopes, Marcella often created small terraces to plant young seedlings. Improving soil structure takes time, and the need for continuous mulching became apparent.

Last winter I decided to make some extra wood beds to plant my different varieties of red current, goose berries, blue honeysuckle, raspberry and blackberries. Facing North-South to capture optimal sunlight, I set out to dig three trenches, each about one and a half meter apart. To boost the decomposition of the woody material, this time I decided to soak each layer of the beds with a solution of good microbes (effective microorganisms or EM) which I had prepared from local materials (see: Reviving soils).

The beds looked really nice and natural next to our little birch forest, but after two months the perennial grasses had already completely invaded the moist and nutrient-rich beds. As one learns by doing, I decided to use leftover tiles to make a border around the beds, to try to and keep the grasses out.

It takes time to find out what works best for you, and the future will tell us if these hĂŒgelbeds will live up to our expectations. What may look easy and simple on paper often requires some some patience as one adapts the idea locally.

Read more

Q.L. Luo, C. Hentges, C. Wright. 2020. Sustainable Landscapes: Creating a HĂŒgelkultur for Gardening with Stormwater Management Benefits. Oklahoma Cooperative Extension Service. Click here.

Related Agro-Insight blogs

Capturing carbon in our soils

Community and microbes

Experimenting with intercrops

Living Soil: A film review

Reviving soils

Inspiring knowledge platforms

Access Agriculture: https://www.accessagriculture.org is a specialised video platform with freely downloadable farmer training videos on ecological farming with a focus on the Global South.

EcoAgtube: https://www.ecoagtube.org is the alternative to Youtube where anyone from across the globe can upload their own videos related to ecological farming and circular economy.

 

HĂŒgelkultur

In mijn vorige blog “Koolstof vastleggen in onze bodems” gaf ik enkele voorbeelden van hoe koolstof kan worden opgeslagen in een gezonde, levende bodem door compost en mulch toe te voegen, minder te ploegen en planten te gebruiken om een permanente bodembedekking te creĂ«ren. Maar er is ook een meer directe manier om koolstof aan de bodem toe te voegen, een techniek die hĂŒgelkultur wordt genoemd, een naam die misschien niet de gemakkelijkste is om uit te spreken, maar het concept is vrij eenvoudig.

HĂŒgelkultur is een Duitse term die ” heuvelteelt ” betekent. Bij deze methode bouwt men tuinbedden met houtachtig materiaal, wat stikstofrijk materiaal zoals grasmaaisel of mest, en grond met compost, gerangschikt in lange, tunnelvormige heuvels. Het hout kan direct op de grond worden gestapeld, of in uitgegraven greppels worden geplaatst. Afhankelijk van de grootte van de stammen of takken die de kern van de hoop vormen, kan het 10 tot 15 jaar duren voordat het hout volledig is afgebroken. In de loop der jaren verbetert het bodemleven en de bodemstructuur.

Een groot voordeel is dat de bedden die verrijkt zijn met organisch materiaal veel beter water vasthouden. Omdat mijn vrouw Marcella en ik vaak voor langere periodes op reis waren voor ons werk, waren we er niet altijd zeker van dat we thuis zouden zijn om onze tuin water te geven, dus dachten we dat deze techniek goed bij ons zou passen. Vooral omdat onze grond erg zanderig is en niet goed water vasthoudt. Zo’n 3 jaar geleden zijn we dus begonnen met ons eerste hĂŒgelbed.

Eerst groeven we een sleuf van 10 meter lang en 1 meter breed tot een diepte van 40 cm. Daarna hebben we veel van de oude houten stammen en gesnoeide takken van zieke bomen opgeruimd. We bedekten de takken met omgedraaide graszoden en bedekten het bed met de bovenste laag aarde en compost. Het bed was ongeveer 1,2 meter hoog. We dachten dat het voortaan gemakkelijker zou zijn om groenten te kweken en minder water te moeten geven, maar dat pakte toch iets anders uit.

Omdat we nog geen duidelijk idee hadden wat we het eerste jaar zouden planten, besloten we een mix van wilde bloeiende planten te zaaien om voedsel te bieden aan bestuivers, zoals bijen, hommels, zweefvliegen en vlinders. In minder dan 2 maanden tijd was het bed een explosie van kleuren en het gezoem was een lust voor het oor. Dit was een geweldig idee, en het gaf ons wat tijd om na te denken over welke groenten en kruiden we het komende seizoen zouden planten, en hoe we de gewassen op het bed zouden rangschikken.

Nadat we het houten bed hadden geĂŻnstalleerd waren de volgende 2 zomers extreem droog, dus ook al dachten we dat we vanaf het tweede jaar de voordelen van het verhoogde bed zouden ervaren, het bleek dat we nog steeds wekelijks water moesten geven. Eerst was ik verbaasd dat het begraven hout geen water vasthield, maar toen realiseerde ik me dat we bovenop het hout een dubbele laag graszoden hadden gelegd (we hadden er gewoon te veel van). Hierdoor was een dikke laag ontstaan waar de wortels van onze tomaten en andere planten niet doorheen konden om de diepere delen van het bed te bereiken waar het vochtige hout langzaam aan het afbreken was.

Marcella realiseerde zich ook dat planten op een helling niet zo eenvoudig is als de vereenvoudigde tekeningen op permacultuur websites laten zien. Ook bij het bewateren stroomde het water gemakkelijk de helling af zonder tijd te hebben om te infiltreren. Het leek erop dat onze bodemstructuur nog steeds niet optimaal was, ook al was het hele bed bedekt met een mix van planten: zowel bloeiende wilde als gecultiveerde. Om te voorkomen dat het water langs de hellingen naar beneden stroomt, creëerde Marcella vaak kleine terrassen om jonge zaailingen te planten. Het verbeteren van de bodemstructuur kost tijd, en de noodzaak van continu mulchen werd duidelijk.

Vorige winter besloot ik enkele extra houten bedden te maken om mijn verschillende variëteiten van rode bessen, kruisbessen, honingbessen, frambozen en bramen te planten. Noord-zuid gericht om optimaal zonlicht op te vangen, begon ik met het graven van drie sleuven, elk ongeveer anderhalve meter uit elkaar. Om de afbraak van het houtachtige materiaal te stimuleren, besloot ik deze keer om elke laag van de bedden te doordrenken met een oplossing van goede microben (effectieve micro-organismen of EM) die ik had bereid uit plaatselijke materialen (zie blog: De bodem nieuw leven inblazen).

De bedden zagen er heel mooi en natuurlijk uit naast ons kleine berkenbosje, maar na twee maanden hadden de meerjarige grassen de vochtige en voedselrijke bedden al volledig ingenomen. Zoals je al doende leert, besloot ik om restjes tegels te gebruiken om een rand rond de bedden te maken, om te proberen de grassen buiten te houden.

Het kost tijd om uit te vinden wat voor jou het beste werkt, en de toekomst zal ons leren of deze hĂŒgelbedden aan onze verwachtingen zullen voldoen. Wat er op papier gemakkelijk en eenvoudig uitziet, vergt vaak enig geduld naarmate men het idee ter plaatse aanpast.

Capturing carbon in our soils December 12th, 2021 by

Nederlandse versie hieronder

Participants at the recent climate summit in Glasgow (COP26) spent considerable energy discussing about ways to further reduce carbon emissions and improve regulation of carbon markets. For the first time in history, fossil fuels have been officially recognised as the main cause of heating our planet. While investments in renewable energy have been long overdue, agriculture continues to be a net polluter and contributor to greenhouse gas (GHG) emissions. Yet, with some relatively modest investment agriculture could even become a net absorber of GHGs.

Few people realise that more carbon can be captured by soils than what is stored in the wood of trees. So, paying attention to what we do with our soils is as important as protecting our forests.

A high level of organic matter is the main indicator of soil health, determining the level of resilience of farms to cope with the effects of disruption in the climate. Carbon-rich soils are essential to secure future food production, because carbon feeds soil microorganisms and helps soils to retain water and nutrients, which are all essential for growing plants.

Adding compost to soils is one common way of enriching the soil with carbon. When plants die and decompose, the living organisms of the soil, such as bacteria, fungi or earthworms, transform the plants into forms of organic matter that the earth can absorb. But also living plants transfer lots of carbon from the air to the soil in a remarkable way. In the daytime, plants absorb carbon dioxide (CO2) from the air through the pores of their leaves. During photosynthesis, plants use water and sunlight to turn the carbon into leaves, stems, seeds and roots. However, as one third of the CO2 captured is released as sugars by plant roots to the soil, one may wonder why the plants are “leaking”.

Plants, like all living creatures, cannot live in isolation; they need others to survive. The liquid sugars released by plant roots are part of a symbiotic relationship between mycorrhizal fungi and 90% of all plants, an arrangement that has developed over the past 420 million years. In fact, plants cannot survive without these soil fungi and vice versa.

Mycorrhizal fungi cannot live without a host plant and, in exchange for the plant’s sugar, the fungi will absorb and transport nutrients and water back to its host.  For every cubic meter of soil, these fungi will send out as much as 20,000 km of fungal threads, also called hyphae, so that they infiltrate every area of soil.  Fungi can access nutrients and water unavailable to the larger plant roots.

Fungi can also use their acids to release nutrients from soils and even rocks — transforming rock minerals into formats that the plant can use. The complexity of interactions between plants and soil organisms goes even further. Certain nutrients can only be extracted from soils by bacteria and fungi will exchange sugar for the nutrients requested by the plant in a complex symbiotic exchange.

Studies have shown that soils under mature, perennial crops contain more available nutrients than soils treated with agricultural chemicals, which kill soil microbes, resulting in the net loss of soil carbon. Policies that promote agroecology, regenerative farming and organic agriculture are therefore directly contributing to soil carbon sequestration and hence help to fight against climate change. But more can be done.

It has long been thought that most of the soil carbon was contained in the top 30 centimetres of the soil in the form of the organic matter in humus. In 1996, Dr. Sara Wright discovered in the USA that soils contain large amounts of carbon up to more than a meter deep. Carbon is stored in the form of glomalin, a highly persistent protein produced by mycorrhizal fungi. As the mycorrhizal fungi go deeper into the soil to mine nutrients and water for the plant, they deposit more and more carbon in the form of glomalin. The more mature this relationship is between plant and microbe the more volume of soil is accessed on behalf of the plant and the better the crop will produce and be able to cope with harsh weather conditions.

Ploughing destroys soil organic matter by oxidation and releases much of the carbon stored in the top soil as CO2, which finds its way to the atmosphere. Ploughing also depletes the micro-organisms in the soil. Reduced tillage and ensuring more permanent soil coverage by plants is therefore crucial to build up a healthy soil life and keep carbon stored in the soil.

Permanent pasture soils with healthy microbial life have been increasing the amount of carbon that they sequester beneath the grasses each year. Practices such as agroforestry and establishing field hedges are other low-cost strategies that can help turn the tide of our warming planet.

In fact, an annual increase of soil organic carbon by 0.4% would neutralise the human-caused emissions of CO2 into the atmosphere. This scientific insight was at the basis of the “4 per 1000” initiative to which many governments, research institutes, civil society and companies already subscribed during the climate summit in Paris in 2015. While the European Green Deal has set a target to be climate-neutral by 2050, the increasing natural calamities we witness year after year shows us that we have no more time to lose.

Illustration credit

Mycorrhiza by Nefronus, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=80931388

Read more

The Liquid Carbon Pathway (LCP): http://www.carbon-drawdown.com/liquid-carbon-pathway.html

The 4 per 1000 Initiative: https://www.4p1000.org/

Related Agro-Insight blogs

Community and microbes

Experiments with trees

From Uniformity to Diversity

Living Soil: A film review

Inspiring knowledge platforms

Access Agriculture: https://www.accessagriculture.org is a specialised video platform with freely downloadable farmer training videos on ecological farming with a focus on the Global South.

EcoAgtube: https://www.ecoagtube.org is the alternative to Youtube where anyone from across the globe can upload their own videos related to ecological farming and circular economy.

 

Koolstof vastleggen in onze bodem

Deelnemers aan de recente klimaattop in Glasgow (COP26) besteedden veel energie aan het bespreken van manieren om de koolstofemissies verder te verminderen en de regulering van koolstofmarkten te verbeteren. Voor het eerst in de geschiedenis zijn fossiele brandstoffen officieel erkend als de belangrijkste oorzaak van de opwarming van onze planeet. Hoewel investeringen in hernieuwbare energie al lang op zich lieten wachten, blijft de landbouw een netto vervuiler en bijdrager aan de uitstoot van broeikasgassen (BKG). Maar met relatief bescheiden investeringen zou de landbouw zelfs een netto absorbeerder van broeikasgassen kunnen worden.

Weinig mensen realiseren zich dat er meer koolstof door de bodem kan worden vastgelegd dan er in het hout van bomen wordt opgeslagen. Aandacht besteden aan wat we met onze bodem doen, is dus net zo belangrijk als het beschermen van onze bossen.

Een hoog gehalte aan organische stof is de belangrijkste indicator voor de gezondheid van de bodem en bepaalt de mate van veerkracht van bedrijven om de effecten van verstoringen in het klimaat het hoofd te bieden. Koolstofrijke bodems zijn essentieel om de toekomstige voedselproductie veilig te stellen, omdat koolstof de bodemmicro-organismen voedt en de bodem helpt om water en voedingsstoffen vast te houden, die allemaal essentieel zijn voor het kweken van planten.

Het toevoegen van compost aan de bodem is een veelgebruikte manier om de bodem met koolstof te verrijken. Wanneer planten afsterven en uiteenvallen, transformeren de levende organismen van de bodem, zoals bacteriĂ«n, schimmels en regenwormen, ze in vormen van organisch materiaal dat de aarde kan opnemen. Maar ook levende planten brengen op opmerkelijke wijze veel koolstof uit de lucht naar de bodem. Overdag nemen planten koolstofdioxide (CO2) op uit de lucht via de poriĂ«n van hun bladeren. Tijdens de fotosynthese gebruiken planten water en zonlicht om de koolstof om te zetten in bladeren, stengels en wortels. Echter, aangezien een derde van de opgevangen CO2 als suikers door plantenwortels aan de bodem wordt afgegeven, kan men zich afvragen waarom de planten “lekken”.

Planten, zoals alle levende wezens, kunnen niet geĂŻsoleerd leven; ze hebben anderen nodig om te overleven. De vloeibare suikers die door plantenwortels vrijkomen, maken deel uit van een symbiotische relatie tussen mycorrhiza-schimmels en 90% van alle planten, een arrangement dat zich in de afgelopen 420 miljoen jaar heeft ontwikkeld. Sterker nog, planten kunnen niet zonder deze bodemschimmels en vice versa.

Mycorrhiza-schimmels kunnen niet leven zonder een waardplant en in ruil voor de suiker van de plant zullen de schimmels voedingsstoffen en water opnemen en terugvoeren naar de gastheer. Voor elke kubieke meter grond sturen deze schimmels maar liefst 20.000 km schimmeldraden, ook wel hyfen genoemd, uit, zodat ze in elk gebied van de bodem infiltreren. Schimmels hebben toegang tot voedingsstoffen en water die niet beschikbaar zijn voor de grotere plantenwortels.

Schimmels kunnen hun zuren ook gebruiken om voedingsstoffen uit de bodem en zelfs uit rotsen vrij te maken, waardoor gesteentemineralen worden omgezet in nutrienten die de plant kan gebruiken. De complexiteit van interacties tussen planten en bodemorganismen gaat nog verder. Bepaalde voedingsstoffen kunnen alleen door bacteriën uit de bodem worden gehaald en schimmels wisselen suiker uit voor de voedingsstoffen die de plant nodig heeft in een complexe symbiotische uitwisseling.

Studies hebben aangetoond dat bodems onder volgroeide, meerjarige gewassen meer beschikbare voedingsstoffen bevatten dan bodems die zijn behandeld met landbouwchemicaliĂ«n, die bodemmicroben doden, wat resulteert in het netto verlies van bodemkoolstof. Beleid dat agro-ecologie, regeneratieve landbouw en biologische landbouw bevordert, draagt ​​daarom rechtstreeks bij aan de vastlegging van koolstof in de bodem en helpt zo de klimaatverandering tegen te gaan. Maar er kan meer gedaan worden.

Lange tijd werd gedacht dat de meeste bodemkoolstof zich in de bovenste 30 centimeter van de bodem bevond in de vorm van de organische stof in humus. In 1996 ontdekte Dr. Sara Wright in de VS dat bodems grote hoeveelheden koolstof bevatten tot meer dan een meter diep. Koolstof wordt opgeslagen in de vorm van glomaline, een zeer persistent eiwit dat wordt geproduceerd door mycorrhiza-schimmels. Naarmate de mycorrhiza-schimmels dieper de grond in gaan om voedingsstoffen en water voor de plant te ontginnen, zetten ze steeds meer koolstof af in de vorm van glomaline. Hoe volwassener deze relatie tussen plant en microbe is, hoe meer grond er voor de plant wordt aangesproken en hoe beter het gewas zal produceren en bestand is tegen barre weersomstandigheden.

Ploegen vernietigt organisch bodemmateriaal door oxidatie en geeft veel van de koolstof die in de bovenste bodem is opgeslagen vrij als CO2, dat zijn weg naar de atmosfeer vindt. Ploegen put ook de micro-organismen in de bodem uit. Minder grondbewerking en zorgen voor een meer permanente bodembedekking door planten is daarom cruciaal om een ​​gezond bodemleven op te bouwen en koolstof in de bodem vast te houden.

Bodems van blijvend grasland met gezond microbieel leven verhogen de hoeveelheid koolstof die ze elk jaar onder de grassen vastleggen. Praktijken zoals agroforestry en het aanleggen van heggen en houtkanten zijn andere goedkope strategieën die kunnen helpen het tij van onze opwarmende planeet te keren.

In feite zou een jaarlijkse toename van de organische koolstof in de bodem met 0,4% de door de mens veroorzaakte uitstoot van CO2 in de atmosfeer kunnen neutraliseren. Dit wetenschappelijke inzicht lag aan de basis van het “4 per 1000”-initiatief waar veel overheden, onderzoeksinstituten, het maatschappelijk middenveld en bedrijven al op intekenden tijdens de klimaattop in Parijs in 2015. Terwijl de Europese Green Deal een doelstelling heeft klimaat-neutraal te zijn tegen 2050, laten de toenemende natuurrampen waar we jaar na jaar getuige van zijn, ons zien dat we geen tijd meer te verliezen hebben.

Experimenting with intercrops November 28th, 2021 by

Nederlandse versie hieronder

For thousands of years, farmers have been mixing crops in their fields to meet the diverse needs of their families and to reduce the risk of crop failure. But to know which crops combine well with each other is not an easy matter, and often requires some experimentation to find out what works best for you, as I found out this year in our home garden.

Three years ago, when we moved into our renovated house in Peer, Belgium, we established a raised garden bed from partially rotted woody material and plant debris topped with compost and soil. As this so-called hĂŒgelkultur is a great way to keep the soil fertile and moist, we figured this was a good way for us to grow plants without the need for watering them, especially as we are often away from home for several weeks to produce training videos with farmers.

As with many people, Covid has kept us grounded for the past two years. Without international travels we decided we should spend more time growing our own food.

On our 10 meters long, 2 meters wide and 1.5-meter-high bed, my wife Marcella has been growing a diversity of herbs, spices, vegetables and sweet maize. While we tried to anticipate which plants would prefer to grow where exactly on the bed (on the lower end or on top, on the south or north-facing side, in partial shade of the nearby goat willow or in full sunlight), this was clearly something that needed us to try out and observe as we went along.

Last winter, I decided to establish three new raised beds, each aligned north-south and 1.5 meters apart. On one bed I would grow goose berries, blue honeysuckle and red currant; the middle bed would be for my red and yellow raspberries and on the bed closest to the little forest, I would grow a few varieties of blackberries. Unlike with annual plants which you can put in a different location each season, deciding on where to plant which shrub and which variety took some careful thinking. One needs to take into account the plant’s architecture, how vigorous it grows, how it copes with strong winds and what level of shade it tolerates.

Having planted all my shrubs, I felt we could do a little more. Leaving the soil bare while the shrubs were still young did not seem like a good idea. I still had some strawberry plants that I wanted to give a new location. The fast-growing raspberries would soon crowd out my strawberries. And strawberries do not  thrive well in shade, so I decided to plant them on the first bed.

A few months later, in the spring, Marcella thought that her tomato seedlings that she had raised in the warmth of the house were ready for transplanting. Again, we brainstormed around the kitchen table where best we could plant them. “Tomato plants have deep roots and tomatoes need a lot of sun, so let us plant them in between our strawberry plants,” I suggested. To keep the mature tomato plants from shading out the newly planted berry shrubs, we planted them on the north side of the shrubs.

Friends and family said it would not work: growing tomatoes outdoors is asking for trouble, as the tomatoes would rot before they ripen. This may have been true with our traditional wet summers, but given the changing climate I figured it could work. After all, we didn’t have a choice as we don’t have a greenhouse.

One day, I was discussing with Bram Moeskops who manages the Organic Farm Knowledge platform for IFOAM Organics Europe. While he was giving me a virtual guided tour on their excellent platform, it was a real coincidence that he showed me one particular factsheet:

“On this factsheet,” Bram explained, “we show a new technology that we are trying to promote, namely tomato-strawberry intercropping. As the strawberries provide a living mulch, it avoids splashing rainwater to get on the tomato plants”. This was a great new insight. This added benefit hadn’t occurred to me even though

I knew that spores of various soil fungi are typically spread by splashing rain and cause tomato diseases.

Our tomato plants thrived, and surprised every visitor. After three years of extremely warm and dry summers, this year turned out to be the opposite. And in the end, months of high humidity also affected our plants. It was of some comfort to hear that all gardeners had faced the same problem, even those with greenhouses.

As our climate is changing, we will need to continue to experiment with cropping patterns. And the more we learn the better. Experimenting with permanent crops can take years, so it will be all the more important to share the results widely. Innovative platforms such as the Organic Farm Knowledge platform and the Access Agriculture video platform offers great ideas and needed scientific insights to help us make better decisions.

Related Agro-Insight blogs

Experiments with trees

Repurposing farm machinery

From Uniformity to Diversity

The rules and the players

Inspiring knowledge platforms

The Organic Farm Knowledge platform: https://organic-farmknowledge.org contains a wide range of tools and resources about organic agriculture in Europe.

Access Agriculture: https://www.accessagriculture.org is a specialised video platform with freely downloadable training videos on ecological farming with a focus on the Global South.

EcoAgtube: https://www.ecoagtube.org is the alternative to Youtube where anyone from across the globe can upload their own videos related to ecological farming and circular economy.

 

Experimenteren met mengteelten

Al duizenden jaren mengen boeren gewassen op hun akkers om te voorzien in de uiteenlopende behoeften van hun gezinnen en om het risico op mislukte oogsten te verkleinen. Maar weten welke gewassen goed met elkaar combineren is geen eenvoudige zaak en vereist vaak wat experimenteren om uit te zoeken wat voor jou het beste werkt, zoals ik dit jaar in onze eigen tuin ontdekte.

Drie jaar geleden, toen we verhuisden naar ons gerenoveerde huis in Peer, BelgiĂ«, hebben we een verhoogd tuinbed aangelegd van gedeeltelijk verrot houtmateriaal en plantenresten, aangevuld met compost en aarde. Aangezien deze zogenaamde hĂŒgelbedden de grond vruchtbaar en vochtig houden, vonden we dit een goede manier om planten te kweken zonder dat we ze water hoefden te geven, vooral omdat we vaak enkele weken van huis zijn om trainingsvideo’s met boeren te maken.

Zoals bij veel mensen heeft Covid ons de afgelopen twee jaar met beide voeten op de grond gehouden. Zonder internationale reizen besloten we dat we meer tijd moesten besteden aan het verbouwen van ons eigen voedsel.

Op ons 10 meter lange, 2 meter brede en 1,5 meter hoge hĂŒgelbed, heeft mijn vrouw Marcella een verscheidenheid aan kruiden, specerijen, groenten en zoete maĂŻs gekweekt. Hoewel we probeerden in te schatten welke planten waar precies op het bed het liefst zouden groeien (onderaan of bovenaan, op het zuiden of op het noorden, in de halfschaduw van de nabijgelegen boswilg of in het volle zonlicht), was dit duidelijk iets dat we moesten uitproberen en gaandeweg observeren.

Afgelopen winter besloot ik drie nieuwe verhoogde bedden aan te leggen, elk noord-zuid gericht en 1,5 meter uit elkaar. Op het ene bed zou ik kruisbessen, honingbes en rode bes telen; het middelste bed zou bestemd zijn voor mijn rode en gele frambozen en op het bed dat het dichtst bij het bosje lag, zou ik een paar bramensoorten telen. Anders dan bij eenjarige planten, die je elk seizoen op een andere plaats kunt zetten, moet je goed nadenken over waar je welke struik en welk ras wilt planten. Je moet rekening houden met de architectuur van de plant, hoe sterk hij groeit, hoe hij tegen sterke wind kan en hoeveel schaduw hij verdraagt.

Nadat ik al mijn struiken had geplant, vond ik dat we nog wel wat meer konden doen. De grond kaal laten terwijl de struiken nog jong waren, leek me geen goed idee. Ik had nog een paar aardbeiplanten die ik een nieuwe plek wilde geven. De snelgroeiende frambozen zouden mijn aardbeien snel verdringen. En aardbeien gedijen niet goed in de schaduw, dus besloot ik ze op het eerste bed te planten.

In de lente, brainstormden we rond de keukentafel waar we het beste onze tomatenzaailingen konden uitplanten. “Tomatenplanten hebben diepe wortels en tomaten hebben veel zon nodig, dus laten we ze tussen onze aardbeienplanten planten,” stelde ik voor. Om te voorkomen dat de volgroeide tomatenplanten de pas geplante bessenstruiken in de schaduw zouden stellen, plantten we ze aan de noordkant van de struiken.

Vrienden en familie zeiden dat dit niet zou werken: tomaten in de openlucht kweken is vragen om problemen, omdat de tomaten zouden rotten voordat ze rijp waren. Dat was misschien waar met onze traditionele natte zomers, maar gezien het veranderende klimaat dacht ik dat het zou kunnen werken. We hadden tenslotte geen keus, want we hebben geen serre.

Op een dag was ik in gesprek met Bram Moeskops, die het platform voor biologische landbouwkennis van IFOAM Organics Europe beheert. Terwijl hij me een virtuele rondleiding gaf op hun uitstekende platform, was het een echt toeval dat hij me Ă©Ă©n specifieke factsheet liet zien:

“Op deze factsheet,” legde Bram uit, “laten we een nieuwe technologie zien die we proberen te promoten, namelijk de tomaat-aardbei mengteelt. Omdat de aardbeien een levende mulch vormen, wordt vermeden dat opspattend regenwater op de tomatenplanten terechtkomt”. Dit was een geweldig nieuw inzicht. Dit extra voordeel was niet bij me opgekomen, hoewel ik wist dat sporen van verschillende bodemschimmels gewoonlijk worden verspreid door opspattend regenwater en alzo tomatenziektes veroorzaken.

Onze tomatenplanten floreerden, en verrasten iedere bezoeker. Na drie jaren van extreem warme en droge zomers, was dit jaar het tegenovergestelde. En jammer genoeg hebben de maanden van hoge vochtigheid uiteindelijk ook onze planten aangetast. Het was een troost te horen dat alle tuiniers met hetzelfde probleem te kampen hadden gehad, zelfs die met serres.

Aangezien ons klimaat verandert, zullen we moeten blijven experimenteren met teeltpatronen. En hoe meer we leren, hoe beter. Experimenteren met blijvende teelten kan jaren duren, dus is het des te belangrijker om de resultaten op grote schaal te delen. Innovatieve platforms zoals het platform Organic Farm Knowledge en het videoplatform Access Agriculture bieden goede ideeën en de nodige wetenschappelijke inzichten om ons te helpen betere beslissingen te nemen.

Inspirerende kennisplatformen

The Organic Farm Knowledge platform: https://organic-farmknowledge.org met informatie over biolandbouw in Europe.

Access Agriculture: https://www.accessagriculture.org  is een gespecialiseerd videoplatform met gratis te downloaden opleidingsvideo’s over ecologische landbouw met een focus op het Zuiden.

Organic Sri Lanka October 17th, 2021 by

Nederlandse versie hieronder

We are all familiar with organic milk, organic fruit and vegetables, or organic chocolate, but when one reads “Organic Sri Lanka”, one may have difficulty grasping what this really is about. For sure, it cannot mean that the entire country is organic. Or does it?

Indeed. As of April 2021, triggered by a wave of kidney diseases among its rice farmers, the Sri Lankan government took a brave decision to ban all imports of chemical fertilisers, pesticides and herbicides, and to to transition to organic and ecological farming.

Sri Lanka is an island country in South Asia. Political unrest and ethnic divides between Tamil and Sinhalese ethnicities led to a 30-year civil war, which ended only in 2009. Blessed with gorgeous scenery and plenty of arable and fertile land, Sri Lanka has been able to develop a stable economy, mainly based on tourism, textiles, rice and tea, of which it is the second-largest exporter in the world.

However, for decades, Sri Lankan agricultural policies had supported high-input agriculture, providing free irrigation and subsidised chemical fertilizer, thereby slowly undermining the country’s rich natural resource base: the people, land and water on which farming depends. The damage had been largely unnoticed until more recently.

In 1995, when I was teaching tropical agriculture at the University of Ghent, I was fortunate to have a chance to live and work for a couple of months in this beautiful country, to backstop a project funded by the European Union. The project focused on weed management, and I was asked to use numerical vegetation ecology as a research method to assess weed populations in farmers’ fields in relation to environmental factors and farmers’ practices.

Each week I travelled to a different part of the country and spent days in the rural areas, interviewing farmers and visiting their fields. It was an intense period, often with little sleep as accommodation was basic or even missing, but at the same time it re-enforced my passion to be in the field, working with smallholder farmers.

After returning back home in Belgium and analysing the data, I came to a staggering conclusion, which I wrote down in one of my first papers, presented at an international conference. The grassy weed Echinochloa crus-galli was highly prevalent in the Mahaweli Development Programme, the largest irrigation scheme in the country where rice was grown with a high input of herbicides and fertilizer. As with the other grass E. colonum, it seemed resistant towards the herbicides used. The many years of spraying propanil had led to resistance for two of the world’s most troublesome weeds. Propanil is a contact herbicide, it kills weeds upon contact with little damage to the crop. It is sold under many different brand names, and has been widely used across the globe over the past 60 years.

While in the early days Monsanto tried to file a patent for propanil, the herbicide continues to be widely used across the world, produced and marketed by Bayer (which bought Monsanto in 2016). Propanil is also made by Dow AgroSciences, various Chinese agrochemical companies, as well as the Indian Bharat Group and United Phosphorus. Environmental and human health hazards caused by agrochemicals take time to manifest themselves, and the cocktails of chemicals applied to farmers’ fields further complicate measuring the poison’s effects. On top of that, once applied, pesticides (including herbicides) are broken down into smaller units, called metabolites, which are often unknown to science and therefore easily escape the tests. Yet, metabolites are often more toxic and more persistent than the parent compound. These complications partly explain why multinational companies can continue their devastating business.

According to a report by the NGO Pesticide Action Network, propanil, along with various other pesticides, can be measured in various amounts in the rain in Asia, North America, Europe, and Latin America. “Pesticides travel thousands of kilometres through the air; they are carried through rivers and seas to distant locations; they are having a devastating effect on biodiversity including beneficial insects; they are undermining the sustainability of food production systems; they kill an unknown number of farmers, workers, children and animals every year; they alter gene pools; and they are costing society billions of dollars in adverse impacts (Pesticide Action Network 2015).”

Chemical fertilizers and pesticides contain heavy metals, such as cadmium, arsenic, chromium, cobalt, lead and nickel, which are known to be toxic and endocrine disruptors. These heavy metals are not listed on the labels as they are considered minor contaminants. Yet, heavy metals accumulate in the soil with repeated applications of agrochemicals.

For years civil society and journalists in Sri Lanka have signalled the devastating effects of agrochemicals; a revealing article in the Colombo Telegraph shows that already in 1998, the Sri Lanka Farmer Forum comprising of over 320 delegates, warned that the current trends in agricultural research were creating a “complete dependence of high-input crops that robbed us of crop independence”.

No one really listened. At least not until the hard evidence of human health hazards and the damage caused to soil and water could no longer be denied.

Organic and ecological farming is knowledge intensive. It is sobering to see how the traditional knowledge farmers in Sri Lanka have developed over thousands of years has been eroded by several decades of chemical agriculture.

Yet the agrochemical industry is not planning to let go of it easily. In less than 6 months after the President declared the country to go 100% organic, lobby groups of the industry have led a media campaign to create the impression that Sri Lanka’s food crisis is the result of the nation’s shift towards organic farming. Fortunately, the President has so far stood firm against the panic being created in the name of growing food insecurity.

To retrain farmers on the management of lands without toxins and heavy energy and to rebuild soil fertility, farmers in Sri Lanka can learn from their fellow farmers in other countries. At the same time, also the agricultural extension and education systems need to drastically change. That is why our non-profit organisation, Access Agriculture, decided to support the government of Sri Lanka by partnering with the Lankan Organic Agriculture Movement (LOAM) and translating many of its farmer-to-farmer training videos into the local languages. Such learning tools will prove to be a great support to the current and future generations of farmers, extension staff and scientists who will need to do research in a more collaborative way with farmers.

More info

Devinder Sharma. 2021. Sri Lanka goes organic. The Tribune. https://www.tribuneindia.com/news/comment/sri-lanka-goes-organic-318938

Ranil Senanayake. 2015. Restoring sustainability to Sri Lankan agriculture. Colombo Telegraph. https://www.colombotelegraph.com/index.php/restoring-sustainability-to-sri-lankan-agriculture/

Vineet Kumar. 2021. Sri Lanka’s inorganic transition to organic farming. DownToEarth. https://www.downtoearth.org.in/news/agriculture/sri-lanka-s-inorganic-transition-to-organic-farming-79532

Related Agro-Insight blogs

Principles matter

Silent Spring, better living through biology

Roundup: ready to move on?

Inspiring platforms

Access Agriculture: hosts over 220 training videos in over 90 languages on a diversity of crops and livestock, sustainable soil and water management, basic food processing, etc. Each video describes underlying principles, as such encouraging people to experiment with new ideas.

EcoAgtube: a social media video platform where anyone from across the globe can upload their own videos related to natural farming and circular economy.

 

Biologisch Sri Lanka

We zijn allemaal vertrouwd met biologische melk, biologische groenten en fruit, of biologische chocolade, maar wanneer men “Biologisch Sri Lanka” leest, kan het moeilijk te vatten zijn wat dit nu eigenlijk inhoudt. Het kan toch niet betekenen dat het hele land biologisch is. Of toch?

Inderdaad. Vanaf april 2021 heeft de Sri Lankaanse regering, naar aanleiding van een golf van nierziekten onder haar rijstboeren, een moedig besluit genomen om alle invoer van kunstmest, pesticiden en herbiciden te verbieden, en over te schakelen op biologische landbouw.

Sri Lanka is een eilandstaat in Zuid-Azië. Politieke onrust en etnische verdeeldheid tussen de Tamil en Singalese bevolking leidden tot een 30 jaar durende burgeroorlog, die pas in 2009 eindigde. Gezegend met prachtige landschappen en veel vruchtbare landbouwgrond, is Sri Lanka erin geslaagd een stabiele economie te ontwikkelen, voornamelijk gebaseerd op toerisme, textiel, rijst en thee, waarvan het de op een na grootste exporteur ter wereld is.

Decennialang heeft het Sri Lankaanse landbouwbeleid echter een industrieel landbouwmodel ondersteund, met gratis irrigatie en gesubsidieerde kunstmest, waardoor de cruciale hulpbronnen van het land – de boeren, het land en het water waarvan de landbouw afhankelijk is – langzaam werden ondermijnd. De schade is lang grotendeels onopgemerkt gebleven.

In 1995, toen ik tropische landbouw doceerde aan de Universiteit van Gent, had ik het geluk een paar maanden in dit prachtige land te mogen wonen en werken, ter ondersteuning van een door de Europese Unie gefinancierd project. Het project was gericht op onkruidbeheer, en ik werd gevraagd om numerieke vegetatie-ecologie te gebruiken als onderzoeksmethode om onkruidpopulaties in de velden van boeren te beoordelen in relatie tot milieufactoren en de praktijken van boeren.

Elke week reisde ik naar een ander deel van het land en bracht dagen door op het platteland, waar ik boeren interviewde en hun akkers bezocht. Het was een intense periode, vaak met weinig slaap omdat goede accommodatie er dikwijls ontbrak, maar tegelijkertijd versterkte het mijn passie om in het veld te werken met kleine boeren.

Na mijn terugkeer in BelgiĂ« en de analyse van de gegevens, kwam ik tot een verbijsterende conclusie, die ik opschreef in een van mijn eerste papers, gepresenteerd op een internationale conferentie. De vele jaren van sproeien met propanil hadden geleid tot resistentie voor twee van ‘s werelds meest lastige onkruiden. Propanil is een contactherbicide, verkocht onder diverse merknamen, en is de afgelopen 60 jaar over de hele wereld op grote schaal gebruikt.

De gevaren van agrochemische stoffen voor het milieu en de volksgezondheid manifesteren zich pas na enige tijd, en de cocktails van chemische stoffen die op de akkers van de boeren worden aangebracht, maken het nog moeilijker om de effecten van het gif te meten. Daar komt nog bij dat bestrijdingsmiddelen (met inbegrip van herbiciden) na toepassing worden afgebroken tot kleinere eenheden, metabolieten genaamd, die vaak onbekend zijn voor de wetenschap en daarom gemakkelijk aan de tests ontsnappen. Toch zijn metabolieten vaak giftiger en persistenter dan de oorspronkelijke stof. Deze complicaties verklaren ten dele waarom multinationale ondernemingen hun verwoestende handel kunnen voortzetten.

Volgens een rapport van de NGO Pesticide Action Network kan propanil, samen met diverse andere pesticiden, in verschillende hoeveelheden worden gemeten in de regen in AziĂ«, Noord-Amerika, Europa en Latijns-Amerika. “Pesticiden leggen duizenden kilometers af door de lucht; ze worden via rivieren en zeeĂ«n naar verre locaties vervoerd; ze hebben een verwoestend effect op de biodiversiteit, waaronder nuttige insecten; ze ondermijnen de duurzaamheid van voedselproductiesystemen; ze doden elk jaar een onbekend aantal boeren, arbeiders, kinderen en dieren; ze veranderen genenpools; en ze kosten de samenleving miljarden dollars aan nadelige gevolgen (Pesticide Action Network 2015).”

Chemische meststoffen en pesticiden bevatten zware metalen, zoals cadmium, arseen, chroom, kobalt, lood en nikkel, waarvan bekend is dat ze giftig zijn en de hormoonhuishouding verstoren. Deze zware metalen worden niet op de etiketten vermeld omdat ze als minder belangrijke verontreinigende stoffen worden beschouwd. Toch hopen de zware metalen zich op in de bodem bij herhaalde toepassing van landbouwchemicaliën.

Jarenlang hebben maatschappelijke organisaties en journalisten in Sri Lanka gewezen op de verwoestende effecten van landbouwchemicaliën. Niemand luisterde echt. Tenminste niet totdat het harde bewijs van de gevaren voor de menselijke gezondheid en de schade aan bodem en water niet langer kon worden ontkend.

Biologische en ecologische landbouw is kennisintensief. Het is ontnuchterend om te zien hoe de traditionele kennis die de boeren in Sri Lanka in de loop van duizenden jaren hebben ontwikkeld, is uitgehold door een paar decennia van chemische landbouw.

Toch is de agrochemische industrie niet van plan dit gemakkelijk los te laten. In minder dan 6 maanden nadat de president verklaarde dat het land voor 100% biologisch zou gaan, hebben lobbygroepen van de industrie een mediacampagne gevoerd om de indruk te wekken dat de voedselcrisis in Sri Lanka het gevolg is van de transitie van het land naar biologische landbouw. Gelukkig heeft de president tot dusverre voet bij stuk gehouden tegen de paniek die wordt gezaaid in naam van de groeiende voedselonzekerheid.

Om boeren om te scholen in het beheer van land zonder gifstoffen en zware energie en om de bodemvruchtbaarheid te herstellen, kunnen de boeren in Sri Lanka leren van hun collega-boeren in andere landen. Tegelijkertijd moeten ook de systemen voor landbouwvoorlichting en -onderwijs drastisch veranderen. Daarom heeft onze vzw, Access Agriculture, besloten de regering van Sri Lanka te steunen door een partnerschap aan te gaan met de Sri Lankan Organic Agriculture Movement (LOAM) en veel van haar boeren trainingsvideo’s in de plaatselijke talen te vertalen. Dergelijke leermiddelen zullen een grote steun blijken te zijn voor de huidige en toekomstige generaties boeren, voorlichtingsmedewerkers en wetenschappers die op een meer coöperatieve manier met boeren onderzoek moeten doen.

Design by Olean webdesign