WHO WE ARE SERVICES RESOURCES




Most recent stories ›
AgroInsight RSS feed
Blog

A “slow food” farm school December 10th, 2023 by

Nederlandse versie hieronder

Almario Senoro and his wife, Frances Mae, warmly welcome us as we arrive at Senoro Green Farm. One of the local partners that we are training on Negros Island in the Philippines is making a video on farm record keeping, and it turns out this farm family has just the right experiences to share.

Located on the outskirts of Bago City, since 2014 the family has been developing their three-hectare land into a fully integrated agroecological farm. Almario proudly shows us a map of the farm, which reveals that the farm design has been given some clear thought.

Organic rice is grown on two hectares and milled on the farm to ensure full compliance for organic certification. While Almario guides us around the house, we notice how pleasant the environment is; you hardly feel the heat of the sun as shade is provided by a wide variety of tropical fruit and coconut palm trees scattered around the garden.

In a small screen house, we meet Joyse Salcedo busy transplanting seedlings of various types of herbs and ornamentals. Joyse is from the neighbourhood and manages a team of five women who all work on the farm, wearing the same Senoro Green Farm t-shirts. On a whiteboard, Joyse accurately keeps track of all activities, so our trainees decide to interview her for their video.

“For us to know, for example, when did I sow, when can I transplant, when can I harvest, we need records in our everyday work,” Joyse says. By doing so, they can properly plan and know when different crops will be ready to sell at the market.

The farm has a contract with a local Italian restaurant to weekly provide 10 kilograms of sweet basil, for which it charges 400-500 Philippine pesos per kilogram (7-8 Euros). The restaurant uses the fresh, organic basil leaves to make into a delicious pesto. Thai basil leaves are provided on a weekly basis to a Thai restaurant.

“Herbs like basil are really great, as you need to plant them only once and you can then harvest leaves for six months, if you know how to manage the crop properly,” confides Frances. “We also sell locally crafted baskets with seedlings of five different herbs for anyone who wants to start their own small herb garden.”

The farm has chickens, ducks, and a fish pond. The bran from the rice mill is used as feed. The poultry droppings are collected to feed worms that produce vermicompost, which helps to keep the soil in the vegetable plots healthy and fertile. Full recycling of farm resources is at the heart of the farm, requiring creativity in planning and the occasional adjustments.

While keeping records is useful for any farmer, it is a must for organic farmers, as Almario explains in front of the camera.

“Record keeping is needed for organic farming to track our crops: where they came from, how they were grown, what inputs we used. It is essential when we apply for certification from a third party or PGS, participatory guarantee system, to organically certify our products.”

We are surprised to learn that Almario is a chemical engineer. Not really the type of profile one expects for an organic farmer.

For years, Almario and his wife lived and worked in the capital city, Manila. “It was such a stressful work and life that it even affected my health. When I checked with my doctor all my results were borderline: high blood sugar and uric acid .… The doctor prescribed medicines, but I didn’t like to take them because I knew they would affect my kidneys. I then changed my lifestyle 180 degrees because I love my health and want to stay longer in this world.”

In one year, Almario learned about organic farming and then decided to set up his own farm. “Since then I have only eaten organic food. I became a healthy person. Lately, I had a health check-up and my health improved; thank God for that.”

Now in their forties, Almario and Frances are not just entrepreneurial farmers, they have established various marketing outlets to sell fresh produce as well as jars of pickled papaya, chilli oil and refreshing juices made from the small calamansi fruits (Philippine lime), lightly flavoured with herbs, ginger, and turmeric.

The couple also turned Senoro Green Farm into a unique learning space for students interested in becoming ecological or certified organic farmers. They have just received approval from the local authorities to establish an official training centre to support young people who want to start an organic farm, as well as those who want to just learn about organic agriculture.

And it is not just about ecological farming. The farm also offers a wide range of “farm experience” and “slow food experience” packages to groups or families for 200 to 600 Philippine pesos per person (3-10 Euros), as presented in their promotional leaflet.

You can help with transplanting herbs or vegetables, harvest dwarf coconuts, and enjoy drinking the refreshing coconut water. You can also learn how to prepare traditional dishes, using native utensils and a traditional clay pot. A three-course meal can be enjoyed in a bahay kubo, a traditional bamboo country house, with the food being presented on banana leaves as plates.

Clearly, Almario and Frances have succeeded in developing their farm with respect for the environment and traditional culture. And they have become an inspiration for others to become agri-preneurs. Sometimes a wakeup call is needed to let people discover their real passion.

 

Een “slow food” boerenschool

Almario Senoro en zijn vrouw Frances Mae verwelkomen ons hartelijk als we aankomen bij Senoro Green Farm. Een van de lokale partners die we trainen op Negros Island in de Filippijnen maakt een video over boekhouden van boerderijen en het blijkt dat deze boerenfamilie precies de juiste ervaringen heeft om te delen.

De familie ligt aan de rand van Bago City en is sinds 2014 bezig om hun land van drie hectare te ontwikkelen tot een volledig geïntegreerde agro-ecologische boerderij. Almario laat ons trots een plattegrond van de boerderij zien, waarop duidelijk is dat er goed is nagedacht over het ontwerp van de boerderij.

Op twee hectare wordt biologische rijst verbouwd en op de boerderij gemalen om volledig te voldoen aan de eisen voor biologische certificering. Terwijl Almario ons rondleidt door het huis, valt het ons op hoe aangenaam de omgeving is; je voelt de hitte van de zon nauwelijks omdat er schaduw wordt geboden door een grote verscheidenheid aan tropische fruit- en kokospalmbomen die verspreid in de tuin staan.

In een kleine serre ontmoeten we Joyse Salcedo die bezig is met het verplanten van zaailingen van verschillende soorten kruiden en sierplanten. Joyse komt uit de buurt en geeft leiding aan een team van vijf vrouwen die allemaal op de boerderij werken, met dezelfde Senoro Green Farm t-shirts aan. Op een whiteboard houdt Joyse nauwkeurig alle activiteiten bij, dus besluiten onze trainees haar te interviewen voor hun video.

“Om bijvoorbeeld te weten wanneer ik gezaaid heb, wanneer ik kan uitplanten, wanneer ik kan oogsten, hebben we een administratie nodig voor ons dagelijkse werk,” zegt Joyse. Hierdoor kunnen ze goed plannen en weten ze wanneer de verschillende gewassen klaar zijn om op de markt verkocht te worden.

De boerderij heeft een contract met een plaatselijk Italiaans restaurant om wekelijks 10 kilo basilicum te leveren, waarvoor 400-500 Filipijnse pesos per kilo (7-8 euro) wordt gevraagd. Het restaurant gebruikt de verse, biologische basilicumblaadjes om een heerlijke pesto van te maken. Thaise basilicumblaadjes worden wekelijks geleverd aan een Thais restaurant.

“Kruiden zoals basilicum zijn echt geweldig, omdat je ze maar één keer hoeft te planten en je dan zes maanden lang bladeren kunt oogsten, als je weet hoe je het gewas goed moet beheren,” vertrouwt Frances ons toe. “We verkopen ook lokaal gemaakte manden met zaailingen van vijf verschillende kruiden voor iedereen die zijn eigen kleine kruidentuin wil beginnen.”

De boerderij heeft kippen, eenden en een visvijver. De zemelen van de rijstmolen worden gebruikt als veevoer. De uitwerpselen van het pluimvee worden verzameld om wormen te voeden die vermicompost produceren, wat helpt om de grond in de groentetuinen gezond en vruchtbaar te houden. Het volledig hergebruiken van de middelen van de boerderij vormt de kern van de boerderij en vereist creativiteit bij het plannen en af en toe aanpassingen.

Hoewel het bijhouden van een administratie nuttig is voor elke boer, is het een must voor biologische boeren, zoals Almario uitlegt voor de camera.

“Het bijhouden van een register is nodig voor biologische landbouw om onze gewassen te kunnen volgen: waar ze vandaan komen, hoe ze zijn verbouwd, welke inputs we hebben gebruikt. Het is essentieel wanneer we certificering aanvragen bij een derde partij of PGS, participatief garantiesysteem, om onze producten biologisch te certificeren.”

Het verbaast ons dat Almario chemisch ingenieur is. Niet echt het profiel dat je verwacht van een biologische boer.

Jarenlang woonden en werkten Almario en zijn vrouw in de hoofdstad Manilla. “Het was zo’n stressvol werk en leven dat het zelfs mijn gezondheid aantastte. Toen ik op controle ging bij mijn dokter waren al mijn uitslagen gevaarlijk tegen de grens aan: hoge bloedsuikerspiegel en urinezuur …. De dokter schreef medicijnen voor, maar ik wilde ze niet innemen omdat ik wist dat ze mijn nieren zouden aantasten. Ik heb toen mijn levensstijl 180 graden veranderd omdat ik van mijn gezondheid houd en langer op deze wereld wil blijven.”

In een jaar tijd leerde Almario over biologische landbouw en besloot toen om zijn eigen boerderij op te zetten. “Sindsdien eet ik alleen nog maar biologisch voedsel. Ik ben een gezond mens geworden. Onlangs ben ik nog onderzocht en mijn gezondheid is verbeterd; God zij dank daarvoor.”

Nu ze in de veertig zijn, zijn Almario en Frances niet alleen ondernemende boeren, ze hebben ook verschillende verkooppunten opgezet om verse producten te verkopen, maar ook potten ingemaakte papaja, chili-olie en verfrissende sappen gemaakt van de kleine calamansi-vruchten (Filipijnse limoen), licht op smaak gebracht met kruiden, gember en kurkuma.

Het echtpaar heeft Senoro Green Farm ook omgetoverd tot een unieke leerplek voor studenten die geïnteresseerd zijn om ecologische of gecertificeerde biologische boeren te worden. Ze hebben net goedkeuring gekregen van de lokale autoriteiten om een officieel trainingscentrum op te zetten om jonge mensen te ondersteunen die een biologische boerderij willen beginnen, maar ook degenen die alleen maar willen leren over biologische landbouw.

En het gaat niet alleen om ecologische landbouw. De boerderij biedt ook een breed scala aan “boerderij ervaring” en “slow food ervaring” pakketten voor groepen of families voor 200 tot 600 pesos per persoon (3-10 euro), zoals gepresenteerd in hun promotiefolder.

Je kunt helpen met het verplanten van kruiden of groenten, dwergkokosnoten oogsten en genieten van het verfrissende kokoswater. Je kunt ook leren hoe je traditionele gerechten bereidt met inheems keukengerei en een traditionele kleipot. Een driegangendiner kan worden genuttigd in een bahay kubo, een traditioneel bamboe buitenhuis, waarbij het eten wordt gepresenteerd op bananenbladeren als borden.

Almario en Frances zijn er duidelijk in geslaagd om hun boerderij te ontwikkelen met respect voor het milieu en de traditionele cultuur. En ze zijn een inspiratie voor anderen geworden om agri-preneurs te worden. Soms is er een wake-up call nodig om mensen hun echte passie te laten ontdekken.

Tourist development September 10th, 2023 by

Vea la versión en español a continuación

Rural communities are starting to welcome local tourism as a way to make money. And more people in the expanding cities of Latin America are now looking for outings they can take close to home.

This year, local officials in Anzaldo, in the provinces of Cochabamba, Bolivia, asked for help bringing tourists to their municipality. Aguiatur, an association of tour guides, offered to help.

In late June, Alberto Buitrón, who heads Aguiatur, and a carload of tour guides, visited Claudio Pérez, the young tourism-culture official for the municipal government of Anzaldo. They went to see local attractions, and people who could benefit from a tour. They also printed an attractive handout explaining what the visitors would see.

In late July, ads ran in the newspaper, promoting the tour, and inviting interested people to deposit 250 Bolivianos ($35) for every two passengers, into a certain bank account. Ana and I live in Cochabamba, 65 kilometers from Anzaldo, and we decided to make the trip, but the banks had already closed on Friday . So, I just went to the Aguiatur office. Alberto was busy preparing for the trip, but he graciously accepted my payment. “And with the two of you, the bus is closed,” Alberto said, with an air of finality.

But by Saturday, more people had asked to go, and so Alberto charted a second bus and phoned the cook who would make our lunch on Sunday. At 8 PM, Saturday night, she agreed to make lunch the next day for 60 people instead of 30. In Bolivia, flexible planning often works just fine.

Early Sunday morning, we tourists met at Barba de Padilla, a small plaza in the old city of Cochabamba, and the tour agents assigned each person a seat on the bus. That would make it easy to see if anyone had strayed. Many of the tourists were retired people, more women than men, and a few grandkids. They were all from Bolivia, but many had never been to Anzaldo.

At each stop, Aguiatur had organized the local people to provide a service or sell food. In the hamlet of Flor de Pukara, we met Claudio, the municipal tourist official, but also Camila, just out of high school, and Zacarías Reyes, a retired school teacher. Camila and don Zacarías were from Flor de Pukara, and they were our local guides to show us the pre-Inka pukara (fortified site). This pukara was a cluster of stone walls on top of a rock crag. Tour guide Marizol Choquetopa, from Aguiatur, cautioned the group not to leave trash and not to remove any of the ancient pot sheds. And no one did, as near as I could tell. Our local guides told us stories about the place: spirits in the form of young ladies are said to appear on one rock outcropping, Torre Qaqa (Cliff Tower), to play music and dance at night.

We walked along the stone banks of the river, the Jatun Mayu. Then Camila’s mother served us phiri, a little dish of steamed cracked wheat, topped with cheese. It was faintly fermented, and fabulous.

In the small town of Anzaldo, we met Marco Delgadillo, a local agronomist and businessman, who has moved back to Anzaldo after his successful career in the city of Cochabamba. His hotel, El Molino del Búho (Owl Mill), includes a room for making and tasting chicha, a local alcoholic beverage brewed from maize. There was plenty of room for our large group in the salon, where we had a delicious lunch of lawa, a maize soup with potatoes, roast beef and chicken.

After lunch, our two buses gingerly navigated the narrow streets of the small town of Anzaldo. The town plaza had recently been fitted out with large models of dinosaurs to encourage visitors to come see fossils and dinosaur tracks. Two taxis were parked at the plaza, and the drivers evidently thought that they owned the town square. As the buses inched by, one taxi driver got out and angrily offered to come over and give our bus driver a beating. The passengers yelled back, urging the taxi driver to be reasonable, and he quieted down.

Our sense of adventure heightened by that buffoonish threat of violence, we drove out to the village of Tijraska. Local leaders clearly wanted to receive visitors. The community had prepared for our visit by putting up little signs indicating how to get to there. One of the leaders, don Mario, welcomed us in Quechua, the local language. Then he paused and asked if the tourists could understand Quechua.

Several people said yes, which delighted don Mario.

We strolled down to the banks of the muddy reservoir, in a narrow canyon. One young man, Ramiro, had bought a new wooden boat, with which he paddled small groups around an island in the reservoir.

For the grand finale, we stopped at the home of Ariel Angulo, a respected Bolivian musician, song writer and maker of musical instruments. Don Ariel played for us, and showed us the shop where he carves his wooden charangos, small stringed instruments. He explained that the charango was copied from a colonial Spanish instrument, the timple. After living in the city of Cochabamba for years, don Ariel has moved back home, to Anzaldo. The best charangos used to be made in Anzaldo, before the instrument makers moved to Cochabamba. Don Ariel hopes to teach young people to make charangos, and bring the craft back to Anzaldo.

This was the first ever package tour to come to Anzaldo. Local tourism from the emerging big cities of tropical countries can be a source of income for rural people, while teaching city people something about the countryside. Some people who left the small towns are retiring back in the countryside, and can help provide services to visitors and even bring traditional crafts back. It is easier for Bolivian tour guides to work with local tourists than foreign ones. For example, the local people speak the national languages. The local tour guides know how to deal with customers who sign up late. There may be risks of over-visitation, but for now, municipal governments are willing to explore tourism as development. And it can be done locally, with no foreign investment or international visitors.

Acknowledgements

Thanks to David Garvizú, Irassema Guzmán, Marizol Choquetopa and Alberto Buitrón of Aguiatur, for a safe and educational trip to Anzaldo. Alberto Buitrón, Ana Gonzáles and Paul Van Mele read and commented on an earlier version of this story.

A video from Anzaldo

Here is a video about producing healthy lupins, a nutritious. local food crop, filmed in Anzaldo in 2017. Growing lupin without disease

TURISMO PARA EL DESARROLLO

Jeff Bentley, 10 de septiembre del 2023

Las comunidades rurales empiezan a fomentar el turismo local para generar ingresos. Y más gente en las crecientes ciudades de Latinoamérica empieza a buscar destinos cerca de la casa.

Este año, algunos oficiales en Anzaldo, en las provincias de Cochabamba, Bolivia, pidieron ayuda para traer turistas a su municipio. Aguiatur, una asociación de guías turísticos, ofreció su ayuda.

Fines de junio, Alberto Buitrón, el director de Aguiatur, y varios guías, visitaron a Claudio Pérez, el joven Responsable de Turismo-Cultura del municipio de Anzaldo. Visitaron a varios atractivos, y a vecinos que podrían aprovechar del tour. Además, imprimieron un lindo folleto explicando qué es que los visitantes verían.

Fines de julio, salieron anuncios en el periódico, promoviendo el tour, e invitando a los interesados a depositar 250 Bs. ($35) para cada par de pasajeros, en una cuenta bancaria. Ana y yo vivimos Cochabamba, a 65 kilómetros de Anzaldo, y recién decidimos viajar después del cierre de los bancos el viernes. Por eso, fui no más a las oficinas de Aguiatur. Alberto estaba en plenos preparativos para el tour, pero amablemente me atendió. “Y con ustedes dos, el bus está cerrado,” dijo Alberto, con el aire de la finalidad.

Sin embargo, para el sábado más personas pidieron cupos, así que Alberto contrató un segundo bus, y llamó a la cocinera que haría nuestro almuerzo el domingo. A las 8 PM, el sábado, ella quedó en hacer almuerzo para el día siguiente para 60 personas en vez de 30. En Bolivia, la planificación flexible suele funcionar bastante bien.

A primera hora el domingo, los turistas nos reunimos en la pequeña plaza de Barba de Padilla, en el casco viejo de Cochabamba, y los guías turísticos asignaron a cada persona un asiento en el bus. Así podrían llevar un buen control y no perder a nadie. Muchos de los turistas eran jubilados, más mujeres que hombres, con algunos nietitos. Todos eran de Bolivia, pero muchos no conocían a Anzaldo.

En cada escala, Aguiatur había organizado a la gente local para dar un servicio o vender comida. En el caserío de Flor de Pukara, conocimos a Claudio, el oficial de turismo municipal, pero también a Camila, recién egresada del colegio, y Zacarías Reyes, un profesor jubilado. Camila y don Zacarías eran de Flor de Pukara, y como guías locales nos mostraron la Pukara preincaica. La pukara era una colección de muros de piedra encima de un peñasco. Nuestra guía Marizol Choquetopa, de Aguiatur, advirtió al grupo no botar basura y no llevar los tiestos antiguos. Y que yo sepa, nadie lo hizo. Nuestros guías locales nos contaron cuentos del lugar: espíritus en forma de señoritas que aparecen sobre una un peñasco, Torre Qaqa, para tocar música y bailar de noche.

Caminamos sobre las orillas pedregosas del río Jatun Mayu. Luego la mamá de Camila nos sirvió un platillo de phiri, trigo quebrado al vapor con un poco de queso encima. Ligeramente fermentada, era fabulosa.

En el pueblo de Anzaldo, conocimos a Marco Delgadillo, agrónomo local y empresario, que había retornado a Anzaldo después de su exitosa carrera en la ciudad de Cochabamba. Su hotel, El Molino del Búho, incluye un cuarto para hacer y catear chicha de maíz. Había amplio campo para nuestro grupo en el salón principal, donde disfrutamos de un almuerzo delicioso de lawa, una sopa de maíz con papas, carne asada y pollo.

Después del almuerzo, nuestros dos buses lentamente navegaron las estrechas calles del pueblo de Anzaldo. En la plaza se habían instalado modelos grandes de dinosaurios para animar a los turistas a visitar para ver a los fósiles y huellas de dinosaurios. Dos taxis estacionados se habían adueñado de la plaza. Los buses pasaban centímetro por centímetro, cuando un taxista salió y, perdiendo los cables, ofreció dar una paliza a nuestro conductor. Los pasajeros gritamos en su defensa, sugiriendo calma, y el taxista se calló.

Después del show del taxista payaso, tuvimos más ganas todavía para la aventura, mientras nos dirigimos a la comunidad de Tijraska. Los dirigentes claramente querían recibir visitas. La comunidad había preparado para nuestra visita, colocando letreros indicando el camino. Uno de los dirigentes, don Mario, nos dio la bienvenida en quechua, el idioma local. Luego pausó y dijo que tal vez no todos hablábamos el quechua.

De una vez, varios dijeron que sí, lo cual encantó a don Mario.

Caminamos a las orillas de un reservorio con agua color de tierra, en un cañón angosto. Un joven, Ramiro, había comprado una nueva lancha. Subimos en pequeños grupos y a remo nos mostró una isla en el reservorio.

Para cerrar con broche de oro, visitamos la casa de Ariel Angulo, un respetado músico boliviano. También es cantautor y hace finos instrumentos musicales. Don Ariel tocó un par de canciones para nosotros, y nos mostró su taller de charangos de madera. Explicó que el charango se copió durante la colonia de un instrumento español, el timple. Después de vivir durante años en la ciudad de Cochabamba, don Ariel ha vuelto a su tierra natal, a Anzaldo. En antaño los mejores charangos se hacían en Anzaldo, antes de que los fabricantes se fueron a Cochabamba. Don Ariel espera enseñar a los jóvenes a hacer charangos, y devolver esta arte a Anzaldo.

Nuestra gira a Anzaldo era el primero en la historia. El turismo local, partiendo de las pujantes ciudades de los países tropicales, puede ser una fuente de ingreso para la gente rural, mientras los citadinos aprendemos algo del campo. Algunas personas que abandonaron las provincias están volviendo, y pueden ayudar a dar servicios a los visitantes, y hasta dar vida a las artes tradicionales. Es más fácil para guías bolivianos trabajar con turistas locales que con extranjeros. Por ejemplo, los turistas locales hablan los idiomas nacionales. Los guías locales saben lidiar con clientes que se apuntan a última hora. Sí se corre el riesgo de una sobre visitación, pero para ahora, los gobiernos municipales están explorando al turismo local como una contribución del desarrollo. Y se puede hacer con recursos locales, sin inversión extranjera y sin turistas internacionales.

Agradecimientos

Gracias a David Garvizú, Irassema Guzmán, Marizol Choquetopa y Alberto Buitrón de Aguiatur, por un viaje seguro y educativo a Anzaldo. Alberto Buitrón, Ana Gonzáles y Paul Van Mele leyeron e hicieron comentarios sobre una versión previa de este relato.

Un video de Anzaldo

Aquí está un video que muestra cómo producir tarwi (lupino) sano, un nutritivo alimento local, filmado en Anzaldo en el 2017. Producir tarwi sin enfermedad.

 

The kitchen training centre December 18th, 2022 by

Nederlandse versie hieronder

In an earlier blog, we wrote how indigenous women in Ecuador were trained by a theatre coach to improve their customer relations when marketing their fresh food at an agroecological fair. During our annual Access Agriculture staff meeting, this year in Cairo, Egypt, we learned about other creative ways to build rural women’s skills and confidence.

One afternoon, our local colleague, Laura Tabet who co-founded the NGO Nawaya about a decade ago, invites us all to visit Nawaya’s Kitchen Training Centre. None of us has a clue as to what to expect. Walking through the gate, we are in for one surprise after the next.

Various trees and shrubs border the green grass on which a very long table is installed. Additional shade is provided by a ramada of woven reeds from nearby wetlands. The table is covered with earthenware pots containing a rich diversity of dishes, all unknown to us. “One of our policies is to avoid plastics as much as possible in whatever we do with food,” explains Laura. But before the feast starts, we are invited to have a look at the kitchen.

Hadeer Ahmed Ali, a warmly smiling staff of Nawaya, guides the 20 visitors from Access Agriculture into the spacious kitchen in the building at the back end of the garden. Several rural women are frantically putting small earthen pots in and out of the oven, while others add the last touches to some fresh salads with cucumber and parsley. The kitchen with its stainless steel and tiled working space is immaculate and the dozen women all wear the same, yellow apron. Their group spirit is clear to see.

We are all separated from the cooking area by a long counter. When Hadeer translates our questions into Arabic, the rural women respond with great enthusiasm. One is holding a camera and takes photos of us while we interact with her colleagues. It is hard to imagine that some of these women had never left their village until a year and a half ago, when Nawaya started its Kitchen Training Centre.

Later on, Laura tells me that each woman is from a different village and is specialised in a specific dish: “We want each of them to develop their own product line, without having to deal with competition from within their own village. While the basis are traditional recipes, we also innovate by experimenting with new ingredients and flavours to appeal to urban consumers.”

The women source from local farmers who grow organic food, and cater for various events and groups. In the near future, they also want to grow some of their own vegetables and sell their own branded products to local shops, restaurants and even deliver to Cairo.

The women have sharpened their communication skills by regularly interacting with groups of school children from Cairo. But becoming confident to interact with foreigners and tourists from all over the world is a different thing. Hence Nawaya engaged Rasha Fam, who studied tourism and runs her own business. She taught the women how to interact with tourists. Unfortunately, it is against Egyptian law to bring foreign tourists to places like this, because tour operators can only take tourists to places that are on the official list of tourist destinations. The tourism industry in Egypt is a strictly regulated business.

Rasha also confirms what we had seen: these rural women are genuine and when given the opportunity it brings out the best of them. The training program helped women calculate costs, standardise recipes, host guests and deliver hands on activities in the farm and the kitchen.

When we walk out of the Kitchen Training Centre, a few women are baking fresh baladi bread (traditional Egyptian flatbread) in a large gas oven set up in the garden. Large wooden trays display the dough balls on a thin layer of flour. One of the ladies skilfully inserts her fingers under a ball to transfer it to a slated paddle-shaped tool made from palm fronds  (locally called mathraha). When she slightly throws the flat balls up, she gives the mathraha a small turn to the left. With each movement the ball becomes flatter and flatter until the right size is obtained. With a decisive movement she then transfers the flatbreads into the oven.

Nandini, our youngest colleague from India is excited to give it a try. Soon also Vinjeru from Malawi and Salahuddin from Bangladesh line up to get this experience. We all have a good laugh when we see how our colleagues struggle to do what they just observed. It is a good reminder that something that may look easy can in fact be rather difficult when doing it the first time, and that perfection comes with practice.

Our appetite raised, we all take place around the table, vegetarians on one side. The dishes reveal such a great diversity of food. It is not every day that one has a chance to eat buffalo and camel meat, so tender that they surprise many of us. The vegetarians are delighted with green wheat and fresh pea stews.

Promoting traditional food cultures can be done in many different ways. What we learned from Nawaya is that when done in an interactive way it helps to build bridges between generations and cultures. People are unique among vertebrates in that we share food. Eating and cooking together can be a fun, cross-cultural experience.

Whether people come from the capital in their own country, or from places across the world, they love to interact with rural women to experience what it takes to prepare real food. Nawaya’s Kitchen Training Centre has clearly found the right ingredients to boost people’s awareness about healthy local food cultures.

Related blogs

Marketing as a performance

Look me in the eyes

La Tablée

Related videos

Making pressed dates

Making fresh cheese

Making a business from home raised chicks

Working together for healthy chicks

 

Het keukenopleidingscentrum

In een eerdere blog schreven we hoe inheemse vrouwen in Ecuador door een theatercoach werden getraind om hun klantrelaties te verbeteren bij het vermarkten van hun verse voedsel op een agro-ecologische markt. Tijdens onze jaarlijkse Access Agriculture stafvergadering, dit jaar in Caïro, Egypte, leerden we over andere creatieve manieren om vaardigheden en vertrouwen van plattelandsvrouwen op te bouwen.

Op een middag nodigt onze lokale collega, Laura Tabet, die ongeveer tien jaar geleden de NGO Nawaya mede oprichtte, ons allemaal uit voor een bezoek aan Nawaya’s Kitchen Training Centre. Niemand van ons weet wat hij kan verwachten. Als we door de poort lopen, wacht ons de ene verrassing na de andere.

Verschillende bomen en struiken omzomen het groene gras waarop een zeer lange tafel staat. Een pergola van riet uit de nabijgelegen wetlands zorgt voor extra schaduw. De tafel is gedekt met aardewerken potten die een rijke verscheidenheid aan gerechten bevatten, allemaal onbekend voor ons. “Een van onze beleidslijnen is om zoveel mogelijk plastic te vermijden bij alles wat we met voedsel doen,” legt Laura uit. Maar voordat het feest begint, worden we uitgenodigd om een kijkje te nemen in de keuken.

Hadeer Ahmed Ali, een hartelijk lachende medewerkster van Nawaya, leidt de 20 bezoekers van Access Agriculture binnen in de ruime keuken in het gebouw achterin de tuin. Verschillende plattelandsvrouwen zijn verwoed bezig kleine aarden potjes in en uit de oven te halen, terwijl anderen de laatste hand leggen aan enkele verse salades met komkommer en peterselie. De keuken met zijn roestvrijstalen en betegelde werkruimte is onberispelijk en de twaalf vrouwen dragen allemaal hetzelfde gele schort. Hun groepsgeest is duidelijk te zien.

We zijn allemaal gescheiden van het kookgedeelte door een lange toonbank. Als Hadeer onze vragen in het Arabisch vertaalt, reageren de plattelandsvrouwen met groot enthousiasme. Eén houdt een camera vast en neemt foto’s van ons terwijl wij met haar collega’s omgaan. Het is moeilijk voor te stellen dat sommige van deze vrouwen nooit hun dorp hadden verlaten tot anderhalf jaar geleden, toen Nawaya zijn Kitchen Training Centre begon.

Later vertelt Laura me dat elke vrouw uit een ander dorp komt en gespecialiseerd is in een specifiek gerecht: “We willen dat ieder van hen zijn eigen productlijn ontwikkelt, zonder dat ze te maken krijgen met concurrentie uit hun eigen dorp. Hoewel de basis traditionele recepten zijn, innoveren we ook door te experimenteren met nieuwe ingrediënten en smaken om stedelijke consumenten aan te spreken.”

De vrouwen kopen in bij lokale boeren die biologisch voedsel verbouwen, en verzorgen de catering voor verschillende evenementen en groepen. In de nabije toekomst willen ze ook enkele van hun eigen groenten kweken en hun eigen merkproducten verkopen aan lokale winkels, restaurants en zelfs leveren aan Caïro.

De vrouwen hebben hun communicatievaardigheden aangescherpt door regelmatige interactie met groepen schoolkinderen uit Caïro. Maar vertrouwen krijgen in de omgang met buitenlanders en toeristen uit de hele wereld is iets anders. Daarom heeft Nawaya Rasha Fam aangetrokken, die toerisme heeft gestudeerd en een eigen bedrijf leidt. Zij heeft de vrouwen geleerd hoe ze met toeristen moeten omgaan. Helaas is het tegen de Egyptische wet om buitenlandse toeristen naar dit soort plaatsen te brengen, omdat touroperators toeristen alleen naar plaatsen mogen brengen die op de officiële lijst van toeristische bestemmingen staan. De toeristische industrie in Egypte is een streng gereguleerde business.

Rasha bevestigt ook wat we hadden gezien: deze plattelandsvrouwen zijn oprecht en wanneer ze de kans krijgen, komt het beste in hen naar boven. Het trainingsprogramma hielp de vrouwen bij het berekenen van kosten, het standaardiseren van recepten, het ontvangen van gasten en het uitvoeren van praktische activiteiten op de boerderij en in de keuken.

Als we het Kitchen Training Centre uitlopen, bakken enkele vrouwen vers baladi-brood (een traditioneel Egyptisch plat brood) in een grote gasoven die in de tuin staat opgesteld. Op grote houten schalen liggen de deegballen op een dun laagje bloem. Een van de dames steekt behendig haar vingers onder een bal om deze over te brengen op een schoepvormig werktuig van palmbladeren (plaatselijk mathraha genoemd). Wanneer ze de platte ballen lichtjes omhoog gooit, geeft ze de mathraha een kleine draai naar links. Met elke beweging wordt de bal platter en platter tot de juiste maat is bereikt. Met een kordate beweging schuift ze dan de platte broden in de oven.

Nandini, onze jongste collega uit India, is enthousiast om het te proberen. Al snel staan ook Vinjeru uit Malawi en Salahuddin uit Bangladesh in de rij om deze ervaring op te doen. We moeten allemaal lachen als we zien hoe onze collega’s worstelen om te doen wat ze net hebben gezien. Het is een goede herinnering aan het feit dat iets dat er gemakkelijk uitziet in feite nogal moeilijk kan zijn als je het de eerste keer doet, en dat perfectie komt met oefening.

Onze eetlust is opgewekt, we nemen allemaal plaats rond de tafel, vegetariërs aan de ene kant. De gerechten tonen een grote verscheidenheid aan voedsel. Men krijgt niet elke dag de kans om buffel- en kamelenvlees te eten, dat zo mals is dat het velen van ons verrast. De vegetariërs zijn blij met groene tarwe en verse erwtenstoofpotten.

Het bevorderen van traditionele eetculturen kan op verschillende manieren gebeuren. Wat we van Nawaya hebben geleerd is dat wanneer het op een interactieve manier gebeurt, het helpt om bruggen te slaan tussen generaties en culturen. Mensen zijn uniek onder de gewervelde dieren omdat we voedsel delen. Samen eten en koken kan een leuke, interculturele ervaring zijn.

Of mensen nu uit de hoofdstad van hun eigen land komen, of van plaatsen over de hele wereld, ze houden van interactie met plattelandsvrouwen om te ervaren wat er nodig is om echt voedsel te bereiden. Nawaya’s Kitchen Training Centre heeft duidelijk de juiste ingrediënten gevonden om mensen bewust te maken van gezonde lokale voedselculturen.

Gerelateerde blogs

Marketing as a performance

Look me in the eyes

La Tablée

Gerelateerde videos

Making pressed dates

Making fresh cheese

Making a business from home raised chicks

Working together for healthy chicks

Marketing as a performance February 13th, 2022 by

Nederlandse versie hieronder

Some 30 years ago, eminent anthropologist Paul Richards described the practices of smallholder farmers as a type of performance, similar to theatre or a musical act. Farmers acquire skills and competence through practice, rehearsal and improvisation. This week, I learned that the same applies to the marketing of farm produce.

In the Ecuadorean Andes, SWISSAID has been supporting women’s associations for 12 years to strengthen their skills on ecological farming. They taught farmers to produce various types of compost, including with manure of guinea pigs, as well as liquid biofertilizers or bioles with good microbes that farmers apply to their soil or spray as foliar fertilizer on the trees and vegetables. The highly mixed farms that we visit with abundant fruit and vegetables testify that these farmers master the art of agroecological farming.

But within a year, SWISSAID realised that, despite farmers’ improved knowledge and skills, indigenous and smallholder farmers had no real place to sell their produce in the cities, apart from improvised stalls on the pavement. Also, consumers were not willing to pay a bonus for food that was produced without toxic agrochemicals. Clearly, farmers also required training on marketing and needed to be organised in groups. And they needed help to liaise with other institutions, such as the university and local authorities.

While working with SWISSAID on a video about agroecological markets, I realized how much progress they have made on multiple fronts. By now, the local government of Pelileo in Tungurahua Province has given the farmers’ association a fixed day to sell their organic produce at a covered market, which they call the “Farm to Fork Agroecology Fair”.

They also advocate healthy food through TV, newspapers and social media. On Thursdays, consumers know that on this day, all produce sold at the farmers’ market is produced without chemicals, and they are now willing to pay a little extra.

Attending a training session on the grounds of the market one morning with some 30 women, including two who were spinning wool and one who was breastfeeding her baby, it strikes me that the various training sessions are all led by highly dynamic trainers who are clearly skilled to capture the attention of the audience. Several farmers have brought fresh produce and on some long tables, they start to work on the display, using local pottery and nicely woven baskets. The various containers serve as a unit of sales, after which they all agree on how much to sell the specific amounts of produce.

When it is the turn of Verónica López, a young theatre coach with a pink aerobic leggings, the training shifts into another gear. Soon all the women are walking around and act together. They pause whenever Verónica gives new instructions, as they act out emotions like “anger,” “happiness” or “love.” As in a play, the women learn how their body language matters when attending a client, or what difference it makes when they look each other in the eyes. They learn that they should be friendly, but they should also speak up. Overcoming shyness is something women learn by practicing in a playful, non-confrontational environment, with fellow women farmers whom they know well.

Like in a theatre or music concert, the better the actors engage with their audience the better the play. By practicing and rehearsing new skills such as looking the consumers in the eyes, engaging with them, being friendly and patient, the rural women in Ecuador have come a long way, and their efforts are paying off.

During covid, the markets closed for three months, yet the women had built such good relations with their clients, that some of the urban consumers found their way directly to the farms around the city. SWISSAID further supported this adaptation, for example putting up signs at the farmhouses, so consumers could find the agroecological producers.

While practicing, rehearsing and improvising proved necessary ingredients for successful adaptation of farming to a changing environment, it surely also determines the success of marketing healthy food.

While Paul Richards was right, agriculture is a type of performance, apparently marketing is as well, and the art of theatre can help farmers to act effectively with customers.

Related Agro-Insight blogs

Marketing something nice

Strawberry fields once again

Acknowledgements

The visit in Ecuador to film various farmer-to-farmer training videos, including the one on “Agroecological Fairs”, was made possible with the kind support of the Collaborative Crop Research Program (CCRP) of the McKnight Foundation. We thank SWISSAID for the tremendous support during our visit.

 

Marketing als een voorstelling

Zo’n 30 jaar geleden beschreef de eminente antropoloog Paul Richards de praktijken van kleine boeren als een soort voorstelling, vergelijkbaar met theater of een muzikale act. Boeren verwerven vaardigheden en bekwaamheid door oefening, repetitie en improvisatie. Deze week heb ik geleerd dat hetzelfde geldt voor het vermarkten van landbouwproducten.

In de Ecuadoraanse Andes steunt SWISSAID al 12 jaar vrouwenorganisaties om hun vaardigheden op het gebied van ecologische landbouw te versterken. Zij leerden de boeren verschillende soorten compost te produceren, onder meer met mest van cavia’s, en ook vloeibare biofertilizers of bioles met goede microben die de boeren op hun grond aanbrengen of als bladmeststof op de bomen en groenten spuiten. De zeer gemengde boerderijen die we bezoeken met overvloedig fruit en groenten getuigen ervan dat deze boeren de kunst van de agro-ecologische landbouw beheersen.

Maar binnen een jaar realiseerde SWISSAID zich dat, ondanks de verbeterde kennis en vaardigheden van de boeren, inheemse en kleine boeren geen echte plaats hadden om hun producten in de steden te verkopen, afgezien van geïmproviseerde stalletjes op de stoep. Bovendien waren de consumenten niet bereid een premie te betalen voor voedsel dat zonder giftige landbouwchemicaliën was geproduceerd. Het is duidelijk dat de boeren ook marketingtraining nodig hadden en dat ze in groepen moesten worden georganiseerd. En ze hadden hulp nodig bij het leggen van contacten met andere instellingen, zoals de universiteit en de plaatselijke autoriteiten.

Toen we met SWISSAID werkten aan een video over agro-ecologische markten, realiseerde ik me hoeveel vooruitgang ze op verschillende fronten hebben geboekt. Inmiddels heeft de lokale overheid van Pelileo in de provincie Tungurahua de boerenvereniging een vaste dag gegeven om hun biologische producten te verkopen op een overdekte markt, die ze de “Farm to Fork Agroecologie Markt” noemen. Ze maken ook reclame voor gezonde voeding via tv, kranten en sociale media. Op donderdag weten de consumenten dat op die dag alle producten die op de markt worden verkocht, zonder chemicaliën zijn geproduceerd, en ze zijn nu bereid om een beetje extra te betalen.

Toen we op een ochtend op het terrein van de beurs een trainingssessie bijwoonden met ongeveer 30 vrouwen, waaronder twee die wol sponnen en één die haar baby borstvoeding gaf, valt het me op dat de verschillende trainingssessies allemaal worden geleid door zeer dynamische trainers die duidelijk de aandacht van het publiek weten te trekken. Verschillende boeren hebben verse produkten meegebracht en op enkele lange tafels beginnen ze te werken aan de uitstalling, gebruik makend van lokaal aardewerk en mooi gevlochten manden. De verschillende recipiënten dienen als verkoopeenheid, waarna ze met z’n allen afspreken voor hoeveel ze de specifieke hoeveelheden producten willen verkopen.

Als het de beurt is aan Verónica López, een jonge theatercoach met een roze aerobic legging, gaat de training in een andere versnelling. Al snel lopen alle vrouwen rond en acteren ze samen. Ze pauzeren telkens wanneer Verónica nieuwe instructies geeft, terwijl ze emoties uitbeelden als “woede”, “geluk” of “liefde”. Net als in een toneelstuk leren de vrouwen hoe belangrijk hun lichaamstaal is als ze een klant te woord staan, of welk verschil het maakt als ze elkaar in de ogen kijken. Ze leren dat ze vriendelijk moeten zijn, maar dat ze ook hun zegje moeten doen. Verlegenheid overwinnen leren vrouwen door te oefenen in een speelse, niet-confronterende omgeving, met collega-boerinnen die ze goed kennen.

Net als bij een theater- of muziekconcert geldt: hoe beter de acteurs zich met hun publiek engageren, hoe beter het stuk. Door nieuwe vaardigheden te oefenen en te repeteren, zoals de consumenten in de ogen kijken, met hen omgaan, vriendelijk en geduldig zijn, hebben de plattelandsvrouwen in Ecuador een lange weg afgelegd, en hun inspanningen werpen vruchten af.

Tijdens covid waren de markten drie maanden gesloten, maar de vrouwen hadden zo’n goede band met hun klanten opgebouwd, dat een deel van de stedelijke consumenten rechtstreeks de weg vond naar de boerderijen rond de stad. SWISSAID ondersteunde deze aanpassing verder, bijvoorbeeld door borden op te hangen bij de boerderijen, zodat de consumenten de agro-ecologische producenten konden vinden.

Oefenen, repeteren en improviseren bleken noodzakelijke ingrediënten voor een succesvolle aanpassing van de landbouw aan een veranderende omgeving, maar het is zeker ook bepalend voor het succes van het vermarkten van gezond voedsel.

Paul Richards had gelijk, landbouw is een soort performance, maar blijkbaar is marketing dat ook, en de kunst van het theater kan boeren helpen om effectief met klanten om te gaan.

La Tablée September 26th, 2021 by

Nederlandse versie hieronder

The choice to eat healthy, organic food cannot be left to consumers alone. While organising farm visits to inform and build trust among consumers is important, too often such initiatives are left to individual farmers. But when this is coordinated at a higher level with multiple stakeholders, including local authorities, an amazing dynamism can be created, as I recently learned during a visit to France.

With my wife Marcella and colleagues from Access Agriculture, we decided to stay a few days longer in Rennes, after we attended the Organic World Congress in September 2021. Strolling through the historic city centre towards the old church of Saint George, we are pleasantly surprised to discover La Tablée (Table Guests), a festive open-air event on the grounds around the ruins where people are invited to taste local products laid out on long lines of picnic tables.

The Tablée and various other events we attended were all organised by the collegial group created by those involved from the initial application of Rennes city to host the Organic World Congress. They called their group ‘Voyage to Organic Lands’.

After some friendly volunteers explained the concept, we took a seat and started to taste some of the apple juices, which are all delicious and remarkably distinct. Each bottle has a name printed on the bottle screw cap (Arthur, Lancelot, Merlin, Gauvain, Vivianne, Perceval and Excalibur). Before France was unified in 843 AD, Britain (la Grande Bretagne) and Brittany (la Petite Bretagne) had close ties and historians increasingly believe that the legend of the hero king Arthur and his brave knights have their roots in France, in the forests near Rennes. Perhaps French apple juice or cider was served at the round table.

When I heard someone speaking about apples over the loudspeakers, I realized that there was a live radio show taking place on one of the corners. Radio Rennes was interviewing the organic apple grower, Arnaud Lebrun. In full honesty, Arnaud explained how he started his career as a salesman for a pesticide company.

“After more than a decade, I began to see all the damage this was doing to the environment, and I could no longer find peace with myself. I decided to quit my job and make a 180-degree shift. My wife and I bought a neglected apple orchard with trees that were already 40 years old and we converted it into an organic apple orchard. We had to learn everything,” Arnaud explains live on air, “I did not even know how to drive a tractor.”

In the shade of an old oak tree, interviews went on all day long with local farmers and food producers. While we only stayed on for an hour or so, I could still hear Arnaud’s wife profess: “our customers truly appreciate all the products we make from our apples. What gives me the most satisfaction is to see the smiles on people’s faces.”

Brittany has the richest diversity of apple varieties in the country and a long tradition of producing cider and pomée, a thick sweet to spread on bread. Preparing the pomée is a community event that celebrates harvest, as the women clean the apples while men take turns all night long stirring the thickening pomade in a huge copper pot over a fire.

Another remarkable traditional product on the picnic tables is gwell, a creamy type of yoghurt made by fermenting raw milk from the pie noire, a breed of local cow that almost went extinct in the 1970s. Gwell is traditionally eaten with flat round buckwheat cakes (galette) or potatoes, and is an excellent ingredient for desserts.

As we are having a great culinary experience, Lisa and Olivier, the sympathetic local baker farmers whom we just got to know at the Organic World Congress, arrive and join our table. They brought with them some more fresh bread and other traditional goodies.

Small leaflets, each one with a little quiz, invite people to reflect on one particular aspect of making and eating food. This pleasant event brings consumers and producers closer to each other, and with the radio reaches a much wider audience.

For over 60 years, consumers have been influenced by marketeers to eat and drink over-processed foods, stripped of their nutrients. It will take time for people to switch from flavour-enhanced junk to real food. Through joint efforts between organic and biodynamic farmer associations, researchers, restaurant owners, as well as authorities from cities and regions, changing consumer behaviour towards healthy, natural food can become a continuous concerted effort.

As I learned that week in Rennes around the table, consumers and farmers need more than connections, they need to form communities, and a bit of fun can help.

Discover more

Voyage to Organic Lands / Voyage en Terre Bio: https://www.voyageenterrebio.org

Related Agro-Insight blogs

The baker farmers

Better food for better farming

Marketing something nice

Damaging the soil and our health with chemical reductionism

The juice mobile

Formerly known as food

Forgotten vegetables

Not sold in stores

An exit strategy

 

De tafelgasten

De keuze om gezond, biologisch voedsel te eten kan niet alleen aan de consument worden overgelaten. Hoewel het belangrijk is boerderijbezoeken te organiseren om de consumenten te informeren en vertrouwen te wekken, worden dergelijke initiatieven maar al te vaak overgelaten aan individuele landbouwers. Maar wanneer dit op een hoger niveau wordt gecoördineerd met meerdere belanghebbenden, waaronder lokale overheden, kan een verbazingwekkende dynamiek ontstaan, zoals ik onlangs leerde in Frankrijk.

Met mijn vrouw Marcella en collega’s van onze vzw Access Agriculture besloten we een paar dagen langer in Rennes te blijven, nadat we in september 2021 het Organic World Congress hadden bijgewoond. Wandelend door het historische stadscentrum in de richting van de oude kerk Saint George, worden we aangenaam verrast als we La Tablée (Tafelgasten) ontdekken, een feestelijk openluchtevenement op het terrein rond de ruïne waar mensen worden uitgenodigd om lokale producten te proeven die op lange rijen picknicktafels zijn neergezet.

Nadat enkele vriendelijke vrijwilligers het concept hadden uitgelegd, namen we plaats en begonnen we met het proeven van enkele van de appelsappen, die allemaal heerlijk en opmerkelijk verschillend zijn. Op elk flesje staat een naam gedrukt op de schroefdop (Arthur, Lancelot, Merlijn, Gauvain, Vivianne, Perceval en Excalibur). Voordat Frankrijk in het jaar 843 werd verenigd, hadden Groot-Brittannië (la Grande Bretagne) en Bretagne (la Petite Bretagne) nauwe banden en historici geloven steeds meer dat de legende van koning Arthur en zijn dappere ridders hun wortels hebben in Frankrijk, in de bossen bij Rennes. Misschien werd er aan de ronde tafel wel Frans appelsap of cider geserveerd.

Toen ik iemand over appels hoorde praten via de luidsprekers, realiseerde ik me dat er een live radioprogramma aan de gang was op het terrein. Radio Rennes interviewde de biologische appelteler, Arnaud Lebrun. In alle eerlijkheid legde Arnaud uit hoe hij zijn carrière was begonnen als verkoper bij een pesticidenbedrijf.

“Na meer dan tien jaar begon ik de schade aan het milieu in te zien, en ik kon geen vrede meer met mezelf vinden. Ik besloot mijn baan op te zeggen en een ommezwaai van 180 graden te maken. Mijn vrouw en ik kochten een verwaarloosde appelboomgaard met bomen die al 40 jaar oud waren en we bouwden die om tot een biologische appelboomgaard. We hebben alles moeten leren”, vertelt Arnaud live in de uitzending, “ik wist niet eens hoe ik een tractor moest besturen.”

In de schaduw van een oude eik gingen de interviews de hele dag door met lokale boeren en voedselproducenten. Hoewel we maar een uurtje aanhielden, kon ik Arnauds vrouw nog horen uitroepen: “onze klanten waarderen echt alle producten die we van onze appels maken. Wat mij de meeste voldoening geeft, is de glimlach op de gezichten van de mensen te zien.”

Bretagne heeft de rijkste verscheidenheid aan appelvariëteiten van het land en een lange traditie in de productie van cider en pomée, een dik snoepje om op brood te smeren. Het bereiden van de pomée is een gemeenschapsgebeuren dat de oogst viert, waarbij de vrouwen de appels schoonmaken terwijl de mannen om beurten de hele nacht lang de indikkende pomée in een enorme koperen pot boven een vuur roeren.

Een ander opmerkelijk traditioneel product op de picknicktafels is gwell, een romige soort yoghurt die wordt gemaakt door rauwe melk van de pie noire te laten gisten, een lokaal koeienras dat in de jaren zeventig bijna was uitgestorven. Gwell wordt traditioneel gegeten met platte ronde boekweitkoeken of aardappelen, en is een uitstekend ingrediënt voor desserts.

Terwijl we aan het genieten zijn van onze culinaire ervaring, komen Lisa en Olivier, de sympathieke lokale bakkers-boeren die we net hebben leren kennen op het Organic World Congress, aan onze tafel zitten. Ze hebben nog wat vers brood en andere traditionele lekkernijen bij zich.

Kleine folders, elk met een korte quiz, nodigen uit om na te denken over een bepaald aspect van het produceren en eten van voedsel. Dit gezellige evenement brengt consumenten en producenten dichter bij elkaar, en bereikt met de radio een veel breder publiek.

Al meer dan 60 jaar worden consumenten door marketeers beïnvloed om overbewerkte voedingsmiddelen te eten en te drinken, ontdaan van hun voedingsstoffen. Het zal tijd vergen voordat de mensen overschakelen van smaakversterkende junk naar echt voedsel. Door gezamenlijke inspanningen van verenigingen van biologische en biodynamische landbouwers, onderzoekers, restauranthouders en autoriteiten van steden en regio’s kan het veranderen van het consumentengedrag in de richting van gezond, natuurlijk voedsel een continue gezamenlijke inspanning worden.

Die week in Rennes aan de tafel heb ik geleerd dat consumenten en boeren meer nodig hebben dan verbindingen, ze moeten gemeenschappen vormen, en een beetje plezier kan daarbij helpen.

Design by Olean webdesign