WHO WE ARE SERVICES RESOURCES




Most recent stories ›
AgroInsight RSS feed
Blog

Micro-chefs November 6th, 2022 by

Nederlandse versie hieronder

In this era when many societies have embraced fast food and convenient, ready-made meals, it was refreshing to watch a documentary on the Korean Air flight back home recently, showing how citizens, chefs and scientists across the globe are increasingly waking up to the importance of nurturing and promoting local food cultures.

Dustin Wessa, the presenter in the documentary, “The Chef of Time,” is an American chef who has been living in Korea for 15 years, specialising in fermented food and beverages, such as Makgeolli, a milky and lightly sparkling rice wine. In his opening statement, the friendly chef explains in fluent Korean that the most complex tastes are not created by people, but by millions of micro-organisms (yeasts, lacto-acid bacteria and moulds) which he playfully calls “micro-chefs”. If we want to use the help of this army of cooks, we need time and patience, which Wessa lists as key ingredients for the preparation of delicious food and beverages.

While showing nature’s beauty and picking up a handful of forest soil, Dustin Wessa illustrates the rich diversity of micro-organisms and explains that they are all around us: in the air, soil, on plants and every part of the planet. A Korean scientist explains in lay-man’s language that fermentation and decay are basically the same process whereby micro-organisms break down components in nature. But unlike decay, fermentation is of immediate benefit to people for food preservation and production.

About 4,000 years ago the first fermented breads were made in Egypt. Most likely natural yeasts flying around in the air had landed on wheat dough that was kept in the open air. From this moment on, yeasts would be part of the sourdough, causing the dough to rise.

While many societies across the world have independently developed fermentation techniques, it was not until the 19th century that people began to understand that micro-organisms were causing food and beverages to ferment or to spoil. (Helped by the discovery of the microscope, Louis Pasteur studied microbial fermentation and came to understand how heat killed bacteria. This led to the name ‘pasteurization’).

In many countries across the world, just one species of commercial yeast is used to make bread, beer and wine, namely Saccharomyces cerevisiae. Different strains of this single-celled fungus microorganism are mass multiplied in laboratories to serve different purposes. Micro-organisms in the food industry have become an expensive ingredient. Annually, Korea has imported for millions of dollars of yeast for use in its highly popular bakery and pastry industry.

Doing research on micro-organisms in nature is a complex matter as there are millions of species and countless interactions between them and their environment. Up to now, about 1,600 species have been identified which have economic importance in food preservation and preparation worldwide. A small fraction of the estimated 150,000 useful species.

When Korean scientists discovered a local yeast that could be used in bread making, they were quick to mass multiply and market it, saving the country millions of dollars.

The documentary does further justice to the importance of treasuring local microbial diversity by putting it all in a global perspective. When the entire world depends on just a few commercial species to prepare food, our food system would become highly vulnerable and prone to the vagaries of commercial and political interests.

To avoid making the same mistakes as with seeds of major food crops, which are in the hands of a few large corporations, we need to ensure that local micro-organisms remain a public good, protected from private capture. Only by doing so, we will be able to keep local food cultures alive.

Related blogs

Korean food culture

The baker farmers

A market to nurture local food culture

 

Micro-koks

In dit tijdperk waarin veel samenlevingen fastfood en gemakkelijke, kant-en-klare maaltijden hebben omarmd, was het verfrissend om op de vlucht van Korean Air naar huis onlangs een documentaire te zien die laat zien hoe burgers, chef-koks en wetenschappers over de hele wereld zich steeds meer bewust worden van het belang van het koesteren en bevorderen van lokale eetculturen.

Dustin Wessa, de presentator in de documentaire “The Chef of Time”, is een Amerikaanse kok die al 15 jaar in Korea woont en gespecialiseerd is in gefermenteerd voedsel en dranken, zoals Makgeolli, een melkachtige en licht mousserende rijstwijn. In zijn openingswoord legt de vriendelijke kok in vloeiend Koreaans uit dat de meest complexe smaken niet door mensen worden gecreëerd, maar door miljoenen micro-organismen (gisten, melkzuurbacteriën en schimmels) die hij speels “micro-koks” noemt. Als we de hulp van dit leger van koks willen gebruiken, hebben we tijd en geduld nodig, die Wessa noemt als hoofdingrediënten voor de bereiding van heerlijk eten en drinken.

Terwijl hij de schoonheid van de natuur laat zien en een handvol bosgrond oppakt, illustreert Dustin Wessa de rijke diversiteit aan micro-organismen en legt hij uit dat ze overal om ons heen zijn: in de lucht, in de bodem, op planten en op elk deel van de planeet. Een Koreaanse wetenschapper legt in lekentaal uit dat fermentatie en rotting eigenlijk hetzelfde proces is waarbij micro-organismen bestanddelen in de natuur afbreken. Maar in tegenstelling tot bederf is fermentatie van direct nut voor mensen voor het bewaren en produceren van voedsel.

Ongeveer 4000 jaar geleden werden in Egypte de eerste gegiste broden gemaakt. Waarschijnlijk waren in de lucht rondvliegende natuurlijke gisten terechtgekomen op tarwedeeg dat in de open lucht werd bewaard. Vanaf dat moment maakte gist deel uit van het zuurdesem, waardoor het deeg ging rijzen.

Hoewel veel samenlevingen over de hele wereld onafhankelijk van elkaar fermentatietechnieken hebben ontwikkeld, begon men pas in de 19e eeuw te begrijpen dat micro-organismen voedsel en dranken lieten gisten of bederven. (Geholpen door de ontdekking van de microscoop bestudeerde Louis Pasteur microbiële fermentatie en kwam hij erachter hoe hitte bacteriën doodde. Dit leidde tot de naam “pasteurisatie”).

In veel landen in de wereld wordt slechts één soort commerciële gist (gebruikt om brood, bier en wijn te maken, namelijk Saccharomyces cerevisiae. Micro-organismen in de voedingsindustrie zijn een duur ingrediënt geworden. Korea importeert jaarlijks voor miljoenen dollars aan gist voor gebruik in zijn zeer populaire bakkerij- en banketindustrie.

Onderzoek naar micro-organismen in de natuur is een complexe aangelegenheid, aangezien er miljoenen soorten zijn en talloze interacties tussen hen en hun omgeving. Tot nu toe zijn er ongeveer 1600 soorten geïdentificeerd die wereldwijd van economisch belang zijn voor het bewaren en bereiden van voedsel. Een kleine fractie van de naar schatting 150.000 nuttige soorten.

Toen Koreaanse wetenschappers een lokale gistsoort ontdekten die kon worden gebruikt voor het maken van brood, waren ze er snel bij om deze massaal te vermenigvuldigen en op de markt te brengen, waardoor het land miljoenen dollars bespaarde.

De documentaire doet verder recht aan het belang van het koesteren van lokale microbiële diversiteit door alles in een mondiaal perspectief te plaatsen. Wanneer de hele wereld afhankelijk is van slechts een paar commerciële soorten om voedsel te bereiden, wordt ons voedselsysteem zeer kwetsbaar en vatbaar voor de grillen van commerciële en politieke belangen.

Om niet dezelfde fouten te maken als met zaden van grote voedselgewassen, die in handen zijn van een paar grote bedrijven, moeten we ervoor zorgen dat lokale micro-organismen een publiek goed blijven, beschermd tegen private inbezitneming. Alleen zo kunnen we lokale voedselculturen in leven houden.

Related blogs

Korean food culture

The baker farmers

A market to nurture local food culture

Korean food culture October 23rd, 2022 by

Nederlandse versie hieronder

In our weekly blogs, Jeff and I often write about food: how it is produced, processed or marketed. During a recent visit with my wife Marcella to South Korea, where I was invited to give a talk at the 5th Organic Asia Congress, we discover little by little what makes Korean food culture stand out from other places we have visited over the years.

Many of the local dishes contain a dozen or so little bowls and plates, each with a different salted and fermented vegetable, called kimchi. These are commonly combined with a bowl of sticky rice and a bowl of tasty seaweed soup. A healthy food, kimchi is rich in vitamins A, C, beta-carotene and other antioxidants, as well as lactic acid bacteria which are good for your guts.

Traditionally, kimchi was prepared in large earthenware pots at the onset of autumn to ensure there was enough healthy food during winter and spring. To avoid the pots getting damaged by severe frosts, the pots were buried in the soil, which was said to give a nice additional flavour to the vegetables.

Making kimchi used to be an annual, communal activity. Neighbouring housewives would rotate their schedules to help each other prepare large quantities. Each household had its own recipes, while the taste is also influenced by the region. Nowadays, as most people live in cities, few still prepare their own kimchi. Bought at the market or in shops, people now have a separate fridge to store different types of kimchi in closed glass jars.

During the first week of our stay, our host Jennifer Chang, explains about the origin of another dish, called bibimbap. To eat this dish, you need to transfer your rice into a large bowl with a mix of fermented and steamed vegetables, and stir it until all the ingredients are properly mixed. While in the past, this was a way to make use of all leftover food, without letting anything go to waste, it now has become like a national dish.

One of the interesting things to do when traveling is to visit a fresh market, as this often gives you a quick glimpse into local food culture. What struck us as unique when visiting Seongdong market in Gyeongju City was the shear amount of micro-enterprises processing food.

Soon after entering the covered, daily market, we are drawn like moths to a light to the smell of roasted sesame seed. When we reach the shop, we see that a lady in her fifties is operating various processing units. In one, sesame is roasted over a gas fire while it is slowly, mechanically stirred. Next to it, a small machine extracts sesame oil, another popular ingredient of many of the local dishes. Making optimal use of the small space in her shop, the woman uses yet another machine to process chilli into flakes. It is a mild variety of chilli that is a steady ingredient to make kimchi.

Another shop has small, stainless steel food processing equipment to make pastries, while yet another one is all set up to extract and pasteurize juices.

While raw fish is a common feature in most fresh markets across Asia, it was nice to see how a few entrepreneurial women were adding value to sea food. To cater for the demanding city dwellers, appealing plates were being prepared on the spot with a diversity of shrimps, mussels, cockles, squid and fish. Covered with a transparent foil, these artistically arranged dishes display all their goodies: a real pleasure to the eye.

One place in the market was devoted to serve customers prepared food. When we finally decide from which buffet to fill our plates, it struck me how local people carefully arranged the various ingredients, either by colour or some other way. Everybody’s plate looked really appealing, almost like a painting, where each colour is added with careful thought.

When local food culture is deeply engrained in a society, this shows in many different ways. Yet cultural erosion is also taking place in Korea, due to the encroaching fast-food culture and rise of supermarkets. This was one reason why the local authorities of Gyeongju City decided to renovate the fresh market and make it more attractive to the local community and foreign visitors. Even strong food cultures need the occasional support from local authorities and continued appreciation by the new generation in order to survive.

Related blogs

A market to nurture local food culture

When local authorities support agroecology

Marketing as a performance

 

Koreaanse eetcultuur

In onze wekelijkse blogs schrijven Jeff en ik vaak over voedsel: hoe het wordt geproduceerd, verwerkt of op de markt wordt gebracht. Tijdens een recent bezoek met mijn vrouw Marcella aan Zuid-Korea, waar ik was uitgenodigd om een ​​lezing te geven op een congres rond biologische landbouw in Azië, ontdekken we beetje bij beetje wat de Koreaanse eetcultuur onderscheidt van andere plaatsen die we in de loop der jaren hebben bezocht.

Veel van de lokale gerechten bevatten een tiental kommetjes en schaaltjes, elk met een andere gezouten en gefermenteerde groente, kimchi genaamd. Deze worden vaak gecombineerd met een kom plakkerige rijst en een kom lekkere zeewiersoep. Kimchi is een gezond voedingsmiddel en is rijk aan vitamine A, C, bètacaroteen en andere antioxidanten, evenals melkzuurbacteriën die goed zijn voor je darmen.

Traditioneel werd kimchi aan het begin van de herfst in grote aardewerken potten bereid om ervoor te zorgen dat er in de winter en de lente voldoende gezond voedsel was. Om te voorkomen dat de potten beschadigd raakten door strenge vorst, werden de potten in de grond begraven, wat een mooie extra smaak aan de groenten zou geven.

Vroeger was het maken van kimchi een jaarlijkse, gemeenschappelijke activiteit. Naburige huisvrouwen zouden hun schema’s roteren om elkaar te helpen grote hoeveelheden klaar te maken. Elk huishouden had zijn eigen recepten, terwijl de smaak ook beïnvloed wordt door de regio. Omdat de meeste mensen tegenwoordig in steden wonen, bereiden maar weinig mensen nog hun eigen kimchi. Gekocht op de markt of in winkels, bewaren mensen nu verschillende soorten kimchi in gesloten glazen potten in een aparte koelkast.

Tijdens de eerste week van ons verblijf vertelt onze gastheer Jennifer Chang over de oorsprong van een ander gerecht, bibimbap genaamd. Om dit gerecht te eten, moet je je rijst en saus in een grote kom doen met een mix van gefermenteerde en gestoomde groenten, en roeren tot alle ingrediënten goed gemengd zijn. Was dit vroeger een manier om alle etensresten te benutten, zonder iets verloren te laten gaan, is het nu een nationaal gerecht geworden.

Een van de interessante dingen om te doen tijdens het reizen is het bezoeken van een versmarkt, omdat dit je vaak een snelle blik geeft in de lokale eetcultuur. Wat ons als uniek opviel toen we de Seongdong-markt in Gyeongju-stad bezochten, was het groot aantal micro-ondernemingen die voedsel verwerken.

Al snel na het betreden van de overdekte, dagelijkse markt, worden we als motten naar een licht aangetrokken door de geur van geroosterd sesamzaad. Als we de winkel bereiken, zien we dat een dame van in de vijftig verschillende verwerkingseenheden bedient. In een daarvan wordt sesam geroosterd boven een gasvuur terwijl het langzaam, mechanisch wordt geroerd. Daarnaast extraheert een kleine machine sesamolie, een ander populair ingrediënt van veel van de lokale gerechten. De vrouw maakt optimaal gebruik van de kleine ruimte in haar winkel en gebruikt nog een andere machine om chilipeper tot vlokken te verwerken. Het is een milde chili-variëteit die een vast ingrediënt is om kimchi te maken.

Een andere winkel heeft kleine roestvrijstalen voedselverwerkingsapparatuur om gebak te maken, terwijl nog een andere helemaal is ingericht om sappen te extraheren en te pasteuriseren.

Hoewel rauwe vis een veelvoorkomend kenmerk is in de meeste versmarkten in Azië, was het leuk om te zien hoe een aantal ondernemende vrouwen voor de veeleisende stedelingen ter plekke aantrekkelijke borden bereiden met een diversiteit aan garnalen, mosselen, kokkels, inktvis en vis. Bedekt met een transparante folie, tonen deze artistiek opgestelde schalen al hun lekkers: een lust voor het oog.

Eén plaats op de markt was bestemd voor het serveren van bereide maaltijden aan klanten. Toen we eindelijk besloten van welk buffet we onze borden zouden vullen, viel het me op hoe de lokale bevolking de verschillende ingrediënten zorgvuldig, op kleur of op een andere manier, rangschikte. Het bord van iedereen zag er heel aantrekkelijk uit, bijna als een schilderij, waarbij elke kleur zorgvuldig is toegevoegd.

Wanneer de lokale eetcultuur diep geworteld is in een samenleving, blijkt dit op veel verschillende manieren. Maar ook in Korea vindt culturele erosie plaats door de oprukkende fastfoodcultuur en de opkomst van supermarkten. Dit was een van de redenen waarom de lokale autoriteiten van de stad Gyeongju besloten om de versmarkt te renoveren en aantrekkelijker te maken voor de lokale gemeenschap en buitenlandse bezoekers. Zelfs sterke eetculturen hebben af ​​en toe steun van de lokale autoriteiten en blijvende waardering van de nieuwe generatie nodig om te overleven.

Gerelateerde blogs

A market to nurture local food culture

When local authorities support agroecology

Marketing as a performance

Exit strategy 2.0 October 2nd, 2022 by

Vea la versión en español a continuación

I’ve written before that a program to support a network of local food producers and consumers needs an exit strategy (An exit strategy). I’ve seen various projects that do a good job at mentoring smallholders, to produce chemical-free food, package it attractively and distribute it to discriminating consumers in the city. This usually relies on hidden subsidies: the university-educated technical staff who broker the food, promote it and transport it in cars, also paid for out of the project budget. It’s a way to show that there is demand for agroecological food, but not a business model.

In the Tungurahua province of Ecuador, last February, I saw what it takes for farmers and consumers to come together in a robust, self-sustaining way.

In the municipality of Pelileo, a city of about 50,000 people, the NGO SWISSAID started 13 years ago to teach 600 farmers and gardeners about agroecology, according to the current country director, Oscar Quillupangui. The second year, SWISSAID organized the farmers to sell their produce in a fair in the city. This was only possible thanks to the mayor at the time, who understood the importance of a market for local, organic produce. As Fernando Jácome of SWISSAID told me, “you can’t run a market without local government support. If you set up a food fair in a public space, the mayor can ask the police to throw you out. In fact, farmer fairs in some other Ecuadorian cities did not thrive, because of this lack of municipal support.”

The current mayor, Ing. Leonardo Maroto, has a vision for healthy food systems: “the countryside gives life to the city.”

When Paul and Marcella and I visited the weekly agroecological fair in Pelileo, on Thursday, 10 February, we were delighted to see a living market, supported by a whole social structure. The space itself is the size of a large basketball court, with a cement floor and a high, awning roof, no walls, but with a stage on one end and step-like seats on the other. Seventy-seven farmer-sellers, almost all women (with two or three supportive husbands), set out their fresh produce on tables in neat rows. Each table was covered with an orange tablecloth. The sellers wore green smocks and orange caps, which helped the organized women (with some help from a couple of municipal cops) to keep out free riders trying to sell conventional food in the market.

The food is of great diversity: potatoes and other Andean roots and tubers, leafy vegetables, pulses like peas and broad beans, giant squash, butchered ducks, rabbits, chickens and guinea pigs. It’s all fresh off the farm and of the highest quality, attracting a steady stream of middle-class consumers who appreciate the value of local feed, free of toxic chemicals.

“Well, it is for our health, right? We always have to be natural. Because you know that now there are so many illnesses because of the chemicals that they put in the fruits and the vegetables. So, for us, for me, and for everyone it is very good that the food is natural, to avoid illnesses,” says Maricela Herrera, one of the consumers.

There are some touches of local personality, like the ten-man brass band, from the municipal government. They don’t play every week, but they come about once a month to attract customers with their beat. There is some free food tasting (potatoes with a slice of egg, peanut sauce and a bit of boiled pork skin).

Mayor Maroto makes an appearance, offering encouraging words over the loudspeaker. The band starts again and people begin to dance, eventually dragging Paul and I onto the dance floor as well.

Through all of this, the staff from SWISSAID, including Fernando and Oscar, keep a low profile. They stand on the sidelines, but they are observant, and I would have missed one of the most important parts of the fair, if they had not pointed it out to me. The farmers who sell at the fair have elected a president, vice-president, secretary and treasurer, Martha Cunalata who quietly goes from one table to the next, collecting one dollar from each member, to meet the association’s expenses.

Self-financed, organized and supported by paying customers and the local government, this market could survive even without an NGO to nurture it. This is what a healthy, local food system looks like. Hopefully it will grow and plant seeds in other cities. As Paul told mayor Maroto of Pelileo, “you are an inspiration to other cities of the world.”

Watch the video

Creating agroecological markets

Related video

Home delivery of organic produce

Related blogs

Marketing as a performance

Marketing something nice

Home delivery of organic produce

Acknowledgement

Thanks to Oscar Quillupangui and Paul Van Mele for their helpful comments on a previous version of this blog.

ESTRATEGIA DE SALIDA 2.0

Jeff Bentley, 2 de octubre del 2022

Ya he escrito antes que un programa de apoyo a una red de productores y consumidores de alimentos locales necesita una estrategia de salida (Una estrategia de salida). He visto varios proyectos que hacen un buen trabajo de orientación a los pequeños productores para que produzcan alimentos sin productos químicos, los envasen de forma atractiva y los distribuyan a los consumidores exigentes de la ciudad. Esto suele tener subvenciones ocultas: el personal técnico con formación universitaria que se encarga ayudar con la venta de los alimentos, de su promoción y de su transporte en vehículos, también pagados con el presupuesto del proyecto. Es una forma de demostrar que hay demanda de alimentos agroecológicos, pero no un modelo de negocio.

En la provincia ecuatoriana de Tungurahua, el pasado mes de febrero, vi lo que hace falta para que agricultores y consumidores se unan de forma sólida y autosostenible.

En el municipio de Pelileo, una ciudad de unos 50.000 habitantes, la ONG SWISSAID empezó hace 13 años a enseñar agroecología a 600 agricultores y dueños de huertos, según el actual director nacional, Oscar Quillupangui. El segundo año, SWISSAID organizó a los agricultores para que vendieran sus productos en una feria en la ciudad. Esto sólo fue posible gracias al alcalde de la época, que comprendió la importancia de un mercado para los productos locales y ecológicos. Como me dijo Fernando Jácome, de SWISSAID, “no se puede hacer un mercado sin el apoyo del gobierno local. Si montas una feria de alimentos en un espacio público, el alcalde puede pedir a la policía que te boten. De hecho, las ferias agrícolas de otras ciudades ecuatorianas no prosperaron por esta falta de apoyo municipal”.

El actual alcalde, Ing. Leonardo Maroto, tiene una visión de los sistemas alimentarios saludables: “el campo da vida a la ciudad”.

Cuando Paul, Marcella y yo visitamos la feria agroecológica semanal de Pelileo, el jueves 10 de febrero, nos encantó ver un mercado vivo, apoyado por toda una estructura social. El espacio en sí tiene el tamaño de una gran cancha de baloncesto, con un piso de cemento y un techo alto de calamina, sin paredes, pero con un escenario en un extremo y asientos escalonados en el otro. Setenta y siete vendedores de productos agrícolas, casi todas mujeres (con dos o tres maridos colaboradores), colocaban sus productos frescos en mesas en hileras ordenadas. Cada mesa estaba cubierta con un mantel naranja. Las vendedoras usaban batas verdes y gorras naranjas, lo que ayudó a las mujeres organizadas (con algo de ayuda de un par de policías municipales) a mantener alejados a los que intentaban vender alimentos convencionales en el mercado.

La comida es muy variada: papas y otras raíces y tubérculos andinos, verduras de hoja, legumbres como frijoles y habas, calabazas gigantes, patos, conejos, pollos y cuyes. Todo está recién salido de la granja y es de la primera calidad, lo que atrae a un flujo constante de consumidores de clase media que aprecian el valor de los alimentos locales, libres de productos químicos tóxicos.

“Bueno, es que, por la salud ¿no? Siempre tenemos que estar a lo natural. Sabe que ahora hay tantas enfermedades por los químicos que ponen a las frutas, a las legumbres. Entonces, para nosotros, para mí, y para todos, es muy bueno que sea natural. Porque nos evitamos de muchas enfermedades”, dice Maricela Herrera, una de las consumidoras.

Hay algunos toques de personalidad local, como la banda de música de diez hombres, del gobierno municipal. No tocan todas las semanas, pero vienen una vez al mes para atraer a los clientes con su ritmo. Hay una degustación gratuita de comida (papas con una rodaja de huevo, salsa de maní y un poco de piel de cerdo hervida).

El alcalde Maroto hace su aparición, ofreciendo palabras de aliento por la megafonía. La banda vuelve a sonar y la gente empieza a bailar, arrastrándonos a Paul y a mí a la pista de baile.

Durante todo esto, el personal de SWISSAID, incluidos Fernando y Óscar, mantienen un perfil bajo. Se mantienen al margen, pero son observadores, y me habría perdido una de las partes más importantes de la feria si no me la hubieran señalado. Los agricultores que venden en la feria han elegido un presidente, un vicepresidente, un secretario y un tesorero, Martha Cunalata, que va tranquilamente de una mesa a otra, recogiendo un dólar de cada miembro, para hacer frente a los gastos de la asociación.

Autofinanciado, organizado y apoyado por los clientes que pagan y por el gobierno local, este mercado podría sobrevivir incluso sin una ONG que lo alimente. Este es el aspecto de un sistema alimentario local saludable. Esperemos que crezca y siembre semillas en otras ciudades. Como dijo Paul al alcalde Maroto de Pelileo, “ustedes son una inspiración para otras ciudades del mundo”.

Vea el video

Creando ferias agroecológicas

Otro video relacionado

Previamente en el blog de Agro-Insight

Marketing as a performance

Algo bonito para vender

Home delivery of organic produce

Agradecimientos

Gracias a Oscar Quillupangui y Paul Van Mele por sus valiosos comentarios sobre una versión previa de este blog.

 

 

From family farm to family firm August 21st, 2022 by

Vea la versión en español a continuación

In Peru, one way to save endangered, native potatoes is by selling and eating them. I recently learned that some restaurant owners are buying native potatoes directly from farmers. Paul and Marcella and I went with local agronomist Raúl Ccanto to meet Guido Villegas, the Huancayo city official in charge of promoting food security and local commerce. He told us that the government of Peru has a program to feed children (Qali Wamru: “vigorous child”) where the national government sends foodstuffs that can be easily stored and transported. The city of Huancayo supplements these by buying local fresh food and vegetables, including native potatoes, to prepare school breakfasts and lunches for the kids. “We were pioneers in these direct purchases,” explained Mr. Guido.

He added that the city is also interested in supporting biodiversity, agroecology and family farming. Every year on National Potato Day (30 May), there is a fair in the city of Huancayo, where the local government puts individual restaurant owners in touch with smallholder farmers.

So we drove over to El Costillar, a family restaurant in downtown Huancayo, and introduced ourselves to Percy Bráñez, the owner. The place was spotless, well-lit and it only had four tables, making it a perfect place for a quite lunch. Percy seemed delighted to have a film crew drop by uninvited, and he thoughtfully went from table to table, asking the customers if they minded if we filmed while they ate.

Percy graciously gave us some of his signature, local food: mote (hominy), boiled native potatoes, fresh salsa, fried sweetpotatoes and possibly the world’s finest chicharrón (pork fried in its own fat).

Percy explained that he has been in business for 20 years, following in the tradition of his father, who started a similar restaurant 50 years ago. Confirming what Guido had said, Percy told how he met two farmers at the fair on national potato day. He asked for their phone numbers, and now, whenever he needs potatoes, he gives them a ring, and they bring the produce right to the restaurant’s door.

Percy buys a little over 100 kilos a week. He takes whatever variety of native potatoes the farmers have. He seems to enjoy serving this diversity in his locally-themed restaurant.

There is a transaction cost for the farmers, who have to make the trip to town, but the drivers of small, country buses are usually happy to take a sack of potatoes as luggage. The two farmers have a ready market; the restaurant gets a steady supply, and by cutting out the middleperson, they reach a price higher than what the farmer would get from the wholesaler, but lower than what the restaurant would pay in the market.

Restaurants and other family firms are a natural outlet for family farms, bringing fresh, local food to nearby cities. And local governments can help to put smallholders in touch with potential customers, who can then deal directly with each other. Restaurant owners can simply phone the farmers when they need produce. This kind of direct marketing was unthinkable thirty years ago, when Latin American farmers barely had access to any phones at all, let alone to a handset in their pocket.

Previous Agro-Insight blogs

A market to nurture local food culture

Choosing to farm

Watch the video

Recovering native potatoes

DE LA AGRICULTURA FAMILIAR AL RESTAURANTE FAMILIAR

Jeff Bentley, 21 de agosto del 2022

En Perú, una forma de rescatar las papas nativas en peligro de extinción es venderlas y comerlas. Hace poco me enteré de que algunos dueños de restaurantes compran papas nativas directamente a los agricultores. Paul, Marcella y yo fuimos con el Ing. Raúl Ccanto a conocer a Guido Villegas, el funcionario de la ciudad de Huancayo encargado de promover la seguridad alimentaria y el comercio local. Nos contó que el gobierno de Perú tiene un programa para alimentar a los niños (Qali Wamru: “niño vigoroso”) en el que el gobierno nacional envía alimentos que se pueden almacenar y transportar fácilmente. La ciudad de Huancayo los complementa comprando alimentos y verduras frescas locales, incluidas las papas nativas, para preparar los desayunos y almuerzos escolares de los niños. “Fuimos pioneros en estas compras directas”, explicó el Sr. Guido.

Añadió que la ciudad también está interesada en apoyar la biodiversidad, la agroecología y la agricultura familiar. Todos los años, en el Día Nacional de la Papa (30 de mayo), se celebra una feria en la ciudad de Huancayo, donde el gobierno local pone en contacto a dueños de restaurantes con agricultores familiares.

Así que nos dirigimos a El Costillar, un restaurante familiar en el centro de Huancayo, y nos presentamos a Percy Bráñez, el propietario. El local estaba impecable, bien iluminado y sólo tenía cuatro mesas, lo que lo convertía en un lugar perfecto para un almuerzo tranquilo. El Sr. Percy parecía encantado de que un equipo de rodaje se pasara por allí sin ser invitado, y fue de mesa en mesa preguntando atentamente a los clientes si les importaba que les grabáramos mientras comían.

El Sr. Percy amablemente nos invitó algunos de sus platos típicos: mote, papas cocidas, salsa fresca, camote frito y posiblemente el mejor chicharrón del mundo.

Percy explicó que lleva 20 años en el negocio, siguiendo la tradición de su padre, que abrió un restaurante similar hace 50 años. Confirmando lo que Guido había dicho, Percy contó que conoció a dos agricultores en la feria el día nacional de la papa. Les pidió sus números de teléfono y ahora, cada vez que necesita papas, les llama y le traen el producto a la puerta del restaurante.

Percy compra algo más de 100 kilos a la semana. Acepta cualquier variedad de papas nativas que tengan los agricultores. Parece que le gusta servir esta diversidad en su restaurante de típico.

Hay un costo de transacción para los agricultores, que tienen que hacer el viaje a la ciudad, pero los conductores de los buses rurales llevan de buena gana un saco de papas como equipaje. Los dos agricultores tienen un mercado a mano; el restaurante obtiene un suministro constante y, al eliminar al intermediario, alcanzan un precio superior al que el agricultor obtendría del mayorista, pero inferior al que el restaurante pagaría en el mercado.

Los restaurantes y otras empresas familiares son una salida natural para las fincas familiares, que llevan alimentos frescos y locales a las ciudades cercanas. Y las administraciones locales pueden ayudar a conectar a los pequeños agricultores con los clientes potenciales, que pueden tratar directamente entre ellos. Los dueños de restaurantes pueden llamar por teléfono a los agricultores cuando necesiten productos. Este tipo de comercialización directa era impensable hace treinta años, cuando los agricultores latinoamericanos tenían poco acceso a teléfonos, y mucho menos a un celular en su bolsillo.

Previamente en el blog de Agro-Insight

A market to nurture local food culture

Optando por la agricultura

Vea el video

Recuperemos las papas nativas

 

200 Guinea pigs August 7th, 2022 by

Vea la versión en español a continuación

Paul and Marcella and I recently met Lucía Ávila in Quilcas, a small town in Junín, Peru. After 2013, agronomists from an NGO, Yanapai, began to show her and her neighbors how to raise a mix of fodders, including rye grass, alfalfa, clover and others. Animals like the mix more than just one fodder, but the plants need water. With support from the government of Peru, the farmers of Quilcas dug an irrigation canal from some 7 km away, and the people began growing small patches of fodder which they could cut for several years, fertilizing it with ash and manure until the grass aged. Then the fodder patch would be dug up, and planted in potatoes, which prospered in the soil where the grass had been grown.

Every day, doña Lucía has been able to cut two large blankets full of fodder, enough for a milk cow, or in her case, enough for 200 guinea pigs.

Doña Lucía had started cautiously. In 2014 she got her first pair of guinea pigs from an NGO called CEDAL. The rodents reproduce pretty fast, so she soon had dozens of the animals. Every year she gets some new males, to avoid inbreeding. She specializes in a large, meaty breed called Mi Perú (my Peru), which is white and reddish, like the Peruvian flag.

As doña Lucía explains, guinea pigs are easy to sell, so they give her a steady income. Plenty of customers come to her house, and she sells the guinea pigs for 20 soles (over $5). She now has 200 guinea pigs.

She says that before she got the big, red-and-white guinea pigs, she had some other which she describes as “small, like rats, and the color of rats.” She adds “When you have grass you can have nice, fat guinea pigs, and you can sell them and have a little money. You can improve your standard of living.” While guinea pigs are thought of as pets in many northern countries, in places like Peru they are small livestock. They are easy to raise at home, in the courtyard, under the shade of a porch.

Formal development is often criticized as being prone to failure. So, it’s only fair to recognize its successes. In this case, three different projects happened to come together from different institutions to ensure that people not only had fodder, but water to irrigate it, and guinea pigs to eat it. The innovations worked together, even if they weren’t designed that way.

Acknowledgements

The visit to Peru to film various farmer-to-farmer training videos, including this one, was made possible with the kind support of the Collaborative Crop Research Program (CCRP) of the McKnight Foundation. Thanks to Edgar Olivera, Raúl Ccanto, Jhon Huaraca and colleagues of the Grupo Yanapai for introducing us to Quilcas and for sharing their knowledge with us. Raúl Ccanto and Paul Van Mele read and made valuable comments on an earlier version of this story.

200 CUYES

Jeff Bentley, 24 de julio del 2022

Hace poco, Paul, Marcella y yo conocimos a Lucía Ávila en Quilcas, un pequeño pueblo de Junín, Perú. A partir de 2013, los agrónomos de una ONG, Yanapai, empezaron a enseñarle a ella y a sus vecinos cómo sembrar una mezcla de forrajes, que incluye ray gras, alfalfa, trébol y otros. A los animales les gusta más la mezcla que un solo forraje, pero las plantas necesitan agua. Con el apoyo del gobierno de Perú, los campesinos de Quilcas cavaron un canal de riego a unos 7 km de distancia, y la gente empezó a cultivar pequeñas parcelas de 200 metros cuadrados, que podían cortar durante varios años, abonándolas con ceniza y estiércol hasta que la hierba envejeciera, y se pudiera desenterrar, plantando papas, que prosperaron en la tierra donde había crecido la hierba.

Doña Lucía descubrió que cada día podía cortar dos grandes mantas llenas de forraje, suficiente para una vaca lechera, o en su caso, suficiente para 200 cuyes.

Doña Lucía había empezado con cautela. En 2014 consiguió su primer par de cuyes de una ONG llamada CEDAL. Los roedores se reproducen bastante rápido, así que pronto tuvo decenas de estos animales. Cada año consigue algunos machos nuevos, para evitar cruzar animales parientes. Está especializada en una raza grande y carnosa llamada Mi Perú, que es blanca y rojiza, como la bandera peruana.

Como explica doña Lucía, los cuyes son fáciles de vender, por lo que le dan unos ingresos constantes. A su casa llegan muchos clientes y vende los cuyes a 20 soles (más de 5 dólares). Ahora tiene 200 cuyes.

Dice que antes de tener los cuyes grandes, rojos y blancos, tenía otros que describe como “pequeños, como ratas, y del color de las ratas”. Añade: “Cuando tienes pasto puedes tener cuyes bonitas y gordas, y puedes venderlas y tener un poco de dinero. Puedes mejorar tu nivel de vida”. Mientras que en muchos países del norte se considera a los cuyes como mascotas, en lugares como Perú son ganado menor. Viven en el corredor de la casa de la gente, y son fáciles de criar.

A menudo se critica el desarrollo formal por siempre fracasar. Es importante reconocer también sus éxitos. En este caso, se unieron varios esfuerzos para garantizar que la gente no sólo tuviera forraje, sino también agua para regarlo y cuyes para alimentarlos. Las innovaciones funcionaron conjuntamente, aún si no se diseñaron juntos.

Agradecimiento

Nuestra visita al Perú para filmar varios videos, incluso este, fue posible gracias al generoso apoyo del Programa Colaborativo de Investigación de Cultivos (CCRP) de la Fundación McKnight. Gracias a Edgar Olivera, Raúl Ccanto, Jhon Huaraca y colegas del Grupo Yanapai por presentarnos a Quilcas y por compartir su conocimiento con nosotros. Raúl Ccanto y Paul Van Mele hicieron comentarios valiosos sobre una versión previa de este relato.

Design by Olean webdesign