Most recent stories ›
AgroInsight RSS feed

A safe space for women November 5th, 2023 by

Nederlandse versie hieronder

In Ecuador, as in many other countries, the rural exodus of men to cities and abroad, in search of work, imposes new duties and responsibilities on the women who are left behind. Besides having to look after their households, they now are also left to manage the farm and sell their produce. For indigenous women, this poses special challenges because so many men have left, and until recently the women held few formal positions of leadership. Without the necessary confidence and proper skills to negotiate prices with middlemen these women continue to be exploited and forced to live in poverty.

As Marcella, Jeff and I visited the NGO EkoRural in Quito in 2022 to meet with the director Ross Borja and scientific advisor, Pedro Oyarzun, it was encouraging to hear how things are gradually changing thanks to many years of support by local organisations, backed by a growing pressure of the international community to advance women’s rights and consider gender in all their activities. For rural women to grow confidence and strengthen their agency, getting organised into women’s associations is crucial. To nurture future women leaders this can best happen when they are given a safe space.

When women grow food without agrochemicals this makes them stand out from other food sellers in the cities, and many urban clients are willing to pay an extra price for healthy food. “But without the necessary skills and loaded with the historic mistreatment, indigenous women have little chance in conventional food markets to sell their produce at a fair price,” says Ross.

She explains that for a decade, EkoRural has been helping indigenous and mestizos smallholder farmers to sell their produce and build a client base in urban centres by establishing new dedicated agroecological markets at family planning centres. “As only women with children come to the health centres and most of the doctors are also women, this has offered a relaxed environment for indigenous rural women to gradually develop their skills and confidence,” says Ross. Once a week the women set up their stalls in the garage of the family planning centres.

EkoRural has also supported workshops where the women doctors together with their patients and farmers learn about food and nutrition. The link between healthy food and human health is an obvious one, but using urban family planning centres to create a market for disadvantaged rural women is something I had never heard of before: truly an innovative approach that at the same time helps create a relationship between food producers and consumers.

That this approach is bearing fruit has been proven by the past two years of the covid pandemic. While the lockdown closed down these new markets, the urban consumers, including the doctors, have established such good relations with the rural women that they continue to buy their produce by placing orders on the phone or social media. Not all of the indigenous women are familiar with digital communication, but their children are.

Another example of EkoRural’s concern for rural women is the initiative to sell agroecological products at the Casa de la Mujer in Riobamba. This initiative allowed not only to sell but also for young rural women to come into contact with gender issues and leadership at the provincial and national levels and to experience leadership roles in this organisation.

When attention to gender is taken seriously and with the necessary creativity and investment in building rural women’s organisations, it is possible to establish alternative food networks. Gradually and in a supportive environment, indigenous women can gain the necessary skills and confidence to earn a decent livelihood in the absence of men.

Related Agro-Insight blogs

Marketing something nice

Strawberry fields once again


Ross Borja from EkoRural kindly commented on an earlier draft and shared photos on the markets at family planning centres. The visit in Ecuador to film various farmer-to-farmer training videos, including the one on “Inspiring women leaders” was made possible with the kind support of the Collaborative Crop Research Program (CCRP) of the McKnight Foundation.


Een veilige ruimte voor vrouwen

In Ecuador, net als in veel andere landen, legt de plattelandsvlucht van mannen naar de steden en het buitenland, op zoek naar werk, nieuwe plichten en verantwoordelijkheden op aan de vrouwen die achterblijven. Naast het huishouden moeten ze nu ook de boerderij beheren en hun producten verkopen. Voor inheemse vrouwen brengt dit speciale uitdagingen met zich mee omdat er zoveel mannen zijn vertrokken en de vrouwen tot voor kort weinig formele leiderschapsposities bekleedden. Zonder het nodige zelfvertrouwen en de juiste vaardigheden om met tussenhandelaren over prijzen te onderhandelen, worden deze vrouwen nog steeds uitgebuit en gedwongen om in armoede te leven.

Toen Marcella, Jeff en ik in 2022 een bezoek brachten aan de NGO EkoRural in Quito voor een ontmoeting met de directeur Ross Borja en wetenschappelijk adviseur Pedro Oyarzun, was het bemoedigend om te horen hoe dingen geleidelijk veranderen dankzij de jarenlange steun van lokale organisaties, gesteund door een groeiende druk van de internationale gemeenschap om vrouwenrechten te bevorderen en rekening te houden met gender in al hun activiteiten. Om vrouwen op het platteland meer zelfvertrouwen te geven en hun invloed te versterken, is het van cruciaal belang dat ze zich organiseren in vrouwenorganisaties. Om toekomstige vrouwelijke leiders op te voeden kan dit het beste gebeuren als ze een veilige ruimte krijgen.

Wanneer vrouwen voedsel verbouwen zonder landbouwchemicaliën, onderscheiden ze zich van andere voedselverkopers in de steden en veel klanten in de steden zijn bereid om een extra prijs te betalen voor gezond voedsel. “Maar zonder de benodigde vaardigheden en beladen met de historische mishandeling, hebben inheemse vrouwen weinig kans op conventionele voedselmarkten om hun producten tegen een eerlijke prijs te verkopen,” zegt Ross.

Ze legt uit dat EkoRural al tien jaar lang kleine inheemse en mestiezenboeren helpt om hun producten te verkopen en een klantenbestand op te bouwen in stedelijke centra door nieuwe speciale agro-ecologische markten op te zetten bij centra voor gezinsplanning. “Aangezien alleen vrouwen met kinderen naar de gezondheidscentra komen en de meeste dokters ook vrouwen zijn, bood dit een ontspannen omgeving voor inheemse plattelandsvrouwen om geleidelijk hun vaardigheden en zelfvertrouwen te ontwikkelen,” zegt Ross. Eens per week zetten de vrouwen hun kraampjes op in de garage van de gezinsplanningscentra.

EkoRural heeft ook workshops ondersteund waar de vrouwelijke artsen samen met hun patiënten en boeren leren over voeding. Het verband tussen gezonde voeding en menselijke gezondheid ligt voor de hand, maar het gebruik van stedelijke centra voor gezinsplanning om een markt te creëren voor kansarme plattelandsvrouwen is iets waar ik nog nooit van had gehoord: echt een innovatieve aanpak die tegelijkertijd helpt een relatie te creëren tussen voedselproducenten en consumenten.

Dat deze aanpak vruchten afwerpt, hebben de afgelopen twee jaar van de covidepandemie wel bewezen. Terwijl deze nieuwe markten door de lockdown werden gesloten, hebben de stedelijke consumenten, waaronder de artsen, zo’n goede relatie opgebouwd met de plattelandsvrouwen dat ze hun producten blijven kopen door bestellingen te plaatsen via de telefoon of sociale media. Niet alle inheemse vrouwen zijn bekend met digitale communicatie, maar hun kinderen wel.

Een ander voorbeeld van EkoRural’s aandacht voor plattelandsvrouwen is het initiatief om agro-ecologische producten te verkopen in het Casa de la Mujer (“Huis van de Vrouwen”) in Riobamba. Dit initiatief maakte het niet alleen mogelijk om te verkopen, maar ook om jonge plattelandsvrouwen in contact te brengen met genderkwesties en leiderschap op provinciaal en nationaal niveau en om leiderschapsrollen in deze organisatie te ervaren.

Wanneer aandacht voor gender serieus wordt genomen en met de nodige creativiteit en investeringen in het versterken van vrouwenorganisaties op het platteland, is het mogelijk om alternatieve voedselnetwerken op te zetten. Geleidelijk aan en in een ondersteunende omgeving kunnen inheemse vrouwen de nodige vaardigheden en zelfvertrouwen verwerven om een fatsoenlijk inkomen te verdienen in afwezigheid van hun mannen.

Giving hope to child mothers October 29th, 2023 by

Nederlandse versie hieronder

Teenage girls are vulnerable and when they become pregnant societies deal with them in different ways. In Uganda, they are called all sorts of names, such as a bad person, a disgrace to parents, and even a prostitute. No one wants their children to associate with them because they are considered a bad influence. Parents often expel their daughters from the family and tell them that their life has come to end. Rebecca Akullu experienced this at the age of 17. But Rebecca is not like any other girl.

After giving birth to her baby, she saved money to go to college, where she got a diploma in business studies in 2018. Rebecca soon got a job as accountant at the Aryodi Bee Farm in Lira, northern Uganda, a region that has high youth unemployment and is still recovering from the violence unleashed by the Lord’s Resistance Army, a rebel group. The farm director appreciated her work so much that he employed her.

“Over the years, I developed a real passion for bees,” Rebecca says, “and through hands-on training, I became an expert in beekeeping myself. Whenever l had a chance to visit farmers, I was shocked to see how they destroyed and polluted the environment with agrochemicals, so I became deeply convinced of the need to care for our environment.”

So, when Access Agriculture launched a call for young entrepreneurs to become farm advisors using a solar-powered projector to screen farmer training videos, Rebecca applied. After being selected as an Entrepreneur for Rural Access (ERA) in 2021, she received the equipment and training. At first she combined her ERA services with her job at the farm, but by the end of the year she resigned. Promoting her new business service required courage. Asked about her first marketing effort, Rebecca said she informed her community at church, at the end of Sunday service.

“I was really anxious the first time I had to screen videos to a group of 30 farmers. I wondered if the equipment would work, which video topics the farmers would ask for and whether I would be able to answer their questions afterwards,” Rebecca recalls. Her anxiety soon evaporated. Farmers wanted to know what videos she had on maize, so she showed several, including the ones on the fall armyworm, a pest that destroys entire fields. Farmers learned how to monitor their maize to detect the pest early, and they started to control it with wood ash instead of toxic pesticides.

Rebecca was asked to organise bi-weekly shows for several months, and she continues to do this, whenever asked. Having negotiated with the farm leader, each farmer pays 1,000 Ugandan Shillings (0.25 Euro) per show, where they watch and discuss three to five videos in the local Luo language. Some of the videos are available in English only, so Rebecca translates them for the farmers. “But collecting money from individual farmers and mobilising them for each show is not easy,” she says.

The videos impressed the farmers, and the ball started rolling. Juliette Atoo, a member of one of the farmer groups and primary school teacher in Akecoyere village, convinced her colleagues of the power of these videos, so Barapwo Primary School became Rebecca’s second client, offering her another unique experience.

“The children were so interested to learn and when I went back a month later, I was truly amazed to see how they had applied so many things in their school garden: the spacing of vegetables, the use of ash to protect their vegetable crops, compost making, and so on. The school was happy because they no longer needed to spend money on agrochemicals, and they could offer the children a healthy, organic lunch,” says Rebecca.

As she grew more confident, new contracts with other schools soon followed. For each client Rebecca negotiates the price depending on the travel distance, accommodation, and how many children watch the videos. Often five videos are screened per day for two consecutive days, earning her between 120,000 and 200,000 Ugandan Shillings (30 to 50 Euros). Schools will continue to be important clients, because the Ugandan government has made skill training compulsory. Besides home economics and computer skills, students can also choose agriculture, so all schools have a practical school farm and are potential clients.

While she continues to engage with schools, over time Rebecca has partly changed her strategy. She now no longer actively approaches farmer groups, but rather explores which NGOs work with farmers in the region and what projects they have or are about to start. Having searched the internet and done background research, it is easier to convince project staff of the value of her video-based advisory service.

As Rebecca, now the mother of four children, does not want to miss the opportunity to respond to the growing number of requests for her video screening service, she is currently training a man and a woman in their early twenties to strengthen her team.

Having never forgotten her own suffering as a young mother, and having experienced the opportunities offered by the Access Agriculture videos, Rebecca also decided to establish her own community-based organisation: the Network for Women in Action, which she runs as a charity. Having impressed her parents, in 2019 they allowed her to set up a demonstration farm (Newa Api Green Farm) on family land, where she trains young girls and pregnant teenage school dropouts in artisan skills such as, making paper bags, weaving baskets and making beehives from locally available materials.

Traditional beehives are made from tree trunks, clay pots, and woven baskets smeared with cow dung that are hung in the trees. To collect the honey, farmers climb the trees and destroy the colonies. From one of the videos made in Kenya, the members of the association learned how to smoke out the bees, and not destroy them.

From another video made in Nepal, Making a Modern Beehive, the women learned to make improved beehives in wooden boxes, which they construct for farmers upon order. From the video, they realised that the currently used bee boxes were too large. “Because small colonies are unable to generate the right temperature within the large hives, we only had a success rate of 50%. Now we make our hives smaller, and 8 out 10 hives are colonised successfully,” says Rebecca.

Young women often have no land of their own, so members who want to can place their beehives on the demo farm. “We also have a honey press. All members used to bring their honey to our farm. But from the video Turning Honey into Money, we learned that we can easily sieve the honey through a clean cloth after we have put the honey in the sun. So now, women can process the honey directly at their homes.”

The bee business has become a symbol of healing. Farmers understand that their crops benefit from bees, so the young women beekeepers are appreciated for their service to the farming community. But also, parents who had expelled their pregnant daughter, embarrassed by societal judgement, begin to accept their entrepreneurial daughter again as she sends cash and food to her parents.

“We even trained young women to harvest honey, which traditionally only men do. When people in a village see our young girls wearing a beekeeper’s outfit and climbing trees, they are amazed. It sends out a powerful message to young girls that, even if you become a victim of early motherhood, there is always hope. Your life does not end,” concludes Rebecca.


Kindermoeders weer hoop geven

Tienermeisjes zijn kwetsbaar en als ze zwanger worden gaan maatschappijen vaak op verschillende manieren met hen om. In Oeganda worden ze allerlei namen gegeven, zoals een slecht persoon, een schande voor de ouders en zelfs een prostituee. Niemand wil dat hun kinderen met hen omgaan omdat ze als een slechte invloed worden beschouwd. Ouders verstoten hun dochters vaak uit de familie en vertellen hen dat hun leven voorbij is. Dit is wat Rebecca Akullu meemaakte op 17-jarige leeftijd. Maar Rebecca is niet zoals ieder ander meisje.

Na de geboorte van haar baby spaarde ze geld om naar de universiteit te gaan en haalde in 2018 een diploma in bedrijfswetenschappen. Rebecca kreeg al snel een baan als boekhouder bij de Aryodi Bee Farm in Lira, in het noorden van Oeganda, een regio met een hoge jeugdwerkloosheid die nog herstellende is van de opstand van Lord’s Resistance Army, een gewelddadige rebellengroepering. De directeur waardeerde haar werk zo erg dat hij haar in dienst nam.

“In de loop der jaren ontwikkelde ik een echte passie voor bijen,” vertelt Rebecca, “en door praktische training werd ik zelf een expert in het houden van bijen. Telkens als ik de kans kreeg om boeren te bezoeken, was ik geschokt om te zien hoe ze het milieu vernietigden en vervuilden met landbouwchemicaliën, dus ik raakte diep overtuigd van de noodzaak om voor ons milieu te zorgen.”

Dus toen Access Agriculture een oproep deed voor jonge ondernemers om landbouwadviseurs te worden met een projector op zonne-energie om trainingsvideo’s voor boeren te vertonen, schreef Rebecca zich in. Nadat ze was geselecteerd als Entrepreneur for Rural Access (ERA), ontving ze de apparatuur en de training in 2021. Aanvankelijk bleef ze part-time werken, doch tegen het einde van het jaar nam ze ontslag om volledig op eigen benen te staan. Om haar nieuwe bedrijfsdienst te promoten was moed nodig. Gevraagd naar haar eerste marketingpoging, zei Rebecca dat ze haar gemeenschap in de kerk informeerde, aan het einde van de zondagsdienst.

“De eerste keer dat ik video’s moest vertonen aan een groep van 30 boeren, was ik echt bang. Ik vroeg me af of de apparatuur zou werken, naar welke video’s de boeren zouden vragen en of ik hun vragen na afloop zou kunnen beantwoorden,” herinnert Rebecca zich. Haar bezorgdheid verdween al snel. Boeren wilden weten welke video’s ze had over maïs, dus liet ze er verschillende zien, waaronder die over de fall armyworm, een ernstige plaag die hele gewassen vernietigt. Boeren leerden hoe ze hun velden in de gaten konden houden om de plaag vroegtijdig te ontdekken en ze begonnen houtas te gebruiken in plaats van giftige pesticiden om de plaag te bestrijden.

Rebecca werd gevraagd om gedurende een aantal maanden tweewekelijkse shows te organiseren en doet dit nog steeds wanneer haar dat wordt gevraagd. Na onderhandeling met de leider van de lokale boerenorganisatie betaalt elke boer 1.000 Oegandese Shilling (0,25 euro) per show, waarbij ze drie tot vijf video’s in de lokale Luo-taal bekijken en bespreken. Sommige video’s zijn alleen in het Engels beschikbaar, dus vertaalt Rebecca ze voor de boeren. “Maar het is niet gemakkelijk om geld in te zamelen van individuele boeren en hen te mobiliseren voor elke show,” zegt ze.

De video’s maakten indruk op de boeren en de bal ging aan het rollen. Juliette Atoo, lid van een van de boerengroepen en lerares op een basisschool in het dorp Akecoyere, overtuigde haar collega’s van de kracht van deze video’s en zo werd de Barapwo basisschool Rebecca’s tweede klant, wat haar weer een unieke ervaring opleverde.

“De kinderen waren zo geïnteresseerd om te leren en toen ik een maand later terugging, was ik echt verbaasd om te zien hoe ze zoveel dingen hadden toegepast in hun schooltuin: de afstand tussen groenten, het gebruik van as om hun groentegewassen te beschermen, compost maken, enzovoort. De school was blij omdat ze geen geld meer hoefden uit te geven aan landbouwchemicaliën en ze de kinderen een gezonde, biologische lunch konden aanbieden,” herinnert Rebecca zich.

Naarmate ze meer vertrouwen kreeg, volgden al snel nieuwe contracten met andere scholen. Voor elke klant onderhandelt Rebecca over de prijs, afhankelijk van de afstand die moet worden afgelegd, de accommodatie en het aantal kinderen dat de video’s bekijkt. Vaak worden er vijf video’s per dag vertoond gedurende twee opeenvolgende dagen, waarmee ze tussen de 120.000 en 200.000 Oegandese Shillings (30 tot 50 euro) verdient. Scholen blijven belangrijke klanten, omdat de Oegandese overheid vaardigheidstraining verplicht heeft gesteld. Naast huishoudkunde en computervaardigheden kunnen leerlingen ook kiezen voor landbouw, dus alle scholen hebben een praktische schoolboerderij en zijn potentiële klanten.

Hoewel ze contact blijft houden met scholen, heeft Rebecca in de loop der tijd haar strategie deels gewijzigd. Ze benadert nu niet langer actief boerengroepen, maar onderzoekt welke NGO’s met boeren in de regio werken en welke projecten ze hebben of op het punt staan te starten. Nadat ze op internet heeft gezocht en achtergrondonderzoek heeft gedaan, is het gemakkelijker om projectmedewerkers te overtuigen van de waarde van de op video gebaseerde voorlichtingsdienst.

Omdat Rebecca, inmiddels moeder van vier kinderen, de kans niet wil missen om in te gaan op het toenemende aantal aanvragen voor haar video-adviesdienst, leidt ze momenteel een jonge man en jonge vrouw van begin twintig op om haar team te versterken.

Rebecca is haar eigen lijden als jonge moeder nooit vergeten en heeft de mogelijkheden ervaren die de video’s van Access Agriculture bieden. Daarom heeft ze ook besloten om haar eigen gemeenschapsorganisatie op te richten: het Netwerk voor Vrouwen in Actie, dat ze als liefdadigheidsinstelling runt. Nadat ze indruk had gemaakt op haar ouders, gaven ze haar in 2019 toestemming om een demonstratieboerderij (Newa Api Green Farm) op te zetten op het land van haar familie. Hier traint ze jonge meisjes en zwangere schoolverlaters in ambachtelijke vaardigheden, zoals het maken van papieren zakken, het weven van manden en het maken van bijenkorven met behulp van lokaal beschikbare materialen.

Traditionele bijenkorven zijn gemaakt van boomstammen, kleipotten en gevlochten manden besmeerd met koeienmest die in de bomen worden gehangen. Om de honing te verzamelen klimmen de boeren in de bomen en vernietigen ze de kolonies. Op een van de video’s die in Kenia werd gemaakt, leerden de leden van de vereniging hoe ze de bijen konden uitroken en niet vernietigen.

Op een andere video, gemaakt in Nepal, leerden de vrouwen houten bijenkasten te maken, die ze op bestelling voor boeren bouwen. Door de video realiseerden ze zich dat de huidige bijenkasten (Top Bar Hive) te groot waren. “Omdat kleine volken niet in staat zijn om de juiste temperatuur in de grote bijenkasten te genereren, hadden we slechts een succespercentage van 50%. Nu maken we onze bijenkasten kleiner en worden 8 op de 10 bijenkasten succesvol gekoloniseerd,” zegt Rebecca.

Jonge vrouwen hebben vaak geen eigen land, dus leden die dat willen kunnen hun bijenkorven op de demoboerderij zetten. “We hebben ook een honingpers. Vroeger brachten alle leden hun honing naar onze boerderij. Maar van de video’s hebben we geleerd dat we de honing gemakkelijk kunnen zeven door een schone doek nadat we de honing in de zon hebben gezet. Dus nu kunnen de vrouwen de honing direct bij hen thuis verwerken.”

De bijenteelt is een symbool van genezing geworden. Boeren begrijpen dat hun gewassen baat hebben bij bijen, dus de jonge imkervrouwen worden gewaardeerd voor hun diensten aan de boerengemeenschap. Maar ook ouders die eerst hun zwangere dochter hadden weggestuurd, beschaamd door het sociale stigma, beginnen hun ondernemende dochter weer te accepteren nu ze geld en voedsel naar haar ouders sturen.

“We hebben zelfs jonge vrouwen opgeleid tot honingoogsters, iets wat traditioneel alleen mannen doen. Als mensen in een dorp onze jonge meisjes in imkeroutfit in bomen zien klimmen, zijn ze verbaasd. Het is een krachtige boodschap voor jonge meisjes dat er altijd hoop is, zelfs als je het slachtoffer wordt van vroeg moederschap. Je leven is niet voorbij,” besluit Rebecca.

Organic leaf fertilizer April 16th, 2023 by

Vea la versión en español a continuación

Prosuco is a Bolivian organization that teaches farmers organic farming. Few things are more important than encouraging alternatives to chemical pesticides and fertilizers.

So Prosuco teaches farmers to make two products, 1) sulfur lime: water boiled with sulfur and lime and used as a fungicide. Some farmers also find that it is useful as an insecticide. 2) Biofoliar, a fermented solution of cow and guinea pig manure, chopped alfalfa, ground egg shells, ash, and some storebought ingredients: brown sugar, yoghurt, and dry active yeast. After a few months of fermenting in a barrel, the biofoliar is strained and can be mixed in water to spray onto the leaves of plants.

Conventional farmers often buy chemical fertilizer, designed to spray on a growing crop. But this foliar (leaf) chemical fertilizer is another source of impurities in our food, because the chemical is sprayed on the leaves of growing plants, like lettuce and broccoli.

Paul and Marcella and I were with Prosuco recently, making a video in Cebollullo, a community in a narrow, warm valley near La Paz. These organic farmers usually mix biofoliar together with sulfur lime. They rave about the results. The plants grow so fast and healthy, and these home-made remedies are much cheaper than the chemicals from the shop.

The mixture does seem to work. One farmer, doña Ninfa, showed us her broccoli. There were cabbage moths (plutella) flying around it and landing on the leaves. These little moths are the greatest cabbage pest worldwide, and also a broccoli pest. Doña Ninfa has sprayed her broccoli with sulfur lime and biofoliar. I saw very few holes in the plant leaves, typical of plutella damage, but I couldn’t find any of their larvae, little green worms. So whatever doña Ninfa was doing, it was working.

I do have a couple of questions. I wonder if, besides the nutrients in the biofoliar, if there are also beneficial microorganisms that help the plants? To know that, we would have to assay the microorganisms in the biofoliar, before and after fermenting it. Then we would need to know which microbes are still alive after being mixed with sulfur lime, which is designed to be a fungicide, i.e., to kill disease-causing fungi. The mixture may reduce the number of microorganisms, but this would not affect the quantity of nutrients for the plants. Farmer-researchers of Cebollullo have been testing different ratios of biofoliar and sulfur lime to develop the most efficient control while reducing the number of sprays, to save time and labor. This is important to them because their fields are often far from the road and far from water.

This is not a criticism of Prosuco, but there needs to be more formal research, for example, from universities, on safe, inexpensive, natural fungicides and fertilizers that farmers can make at home, and on the combinations of these inputs.

Agrochemical companies have all the advantages. They co-opt university research. They have their own research scientists as well. They have advertisers and a host of shopkeepers, motivated by the promise of earning money.

Organic agriculture has the good will of the NGOs, working with local people, and the creativity of the farmers themselves. Even a little more support would make a difference.

Previous Agro-Insight blog

Friendly germs

Related videos

Good microbes for plants and soil

Vermiwash: an organic tonic for crops


Thanks to Roly Cota, Maya Apaza, and Renato Pardo of Prosuco for introducing us to the community of Cebollullo, and for sharing their thoughts on organic agriculture with us. Thanks to María Quispe, the Director of Prosuco, and to Paul Van Mele, for their valuable comments on previous versions of this story. This work was sponsored by the Collaborative Crop Research Program (CCRP) of the McKnight Foundation.


Jeff Bentley, 9 de abril del 2023

Prosuco es una organización boliviana que enseña la agricultura ecológica a los agricultores. Pocas cosas son más importantes que fomentar alternativas a los plaguicidas y fertilizantes químicos.

Así, Prosuco enseña a los agricultores a hacer dos productos: 1) sulfocálcico: agua hervida con azufre y cal que se usa como fungicida. Algunos agricultores también ven que es útil como insecticida. 2) Biofoliar, una solución fermentada de estiércol de vaca y cuyes, alfalfa picada, cáscaras de huevo molidas, ceniza y algunos ingredientes comprados en la tienda: azúcar moreno, yogurt y levadura seca activa. Tras unos meses de fermentación en un barril, el biofoliar se cuela y puede mezclarse con agua para fumigarlo sobre las hojas de las plantas.

Los agricultores convencionales suelen comprar fertilizantes químicos, diseñados para fumigar sobre un cultivo en crecimiento. Pero este fertilizante químico foliar es otra fuente de contaminación en nuestros alimentos, porque el producto químico se fumiga sobre las hojas de las plantas en crecimiento, como la lechuga y el brócoli.

Paul, Marcella y yo estuvimos hace poco con Prosuco haciendo un video en Cebollullo, una comunidad ubicada en un valle estrecho y cálido cerca de La Paz. Estos agricultores ecológicos suelen mezclar biofoliar con sulfocálcio. Están encantados con los resultados. Las plantas crecen muy rápido y sanas, y estos remedios caseros son mucho más baratos que los productos químicos de la tienda.

La mezcla parece funcionar. Una agricultora, doña Ninfa, nos enseñó su brócoli. Había polillas del repollo (plutella) volando alrededor y posándose en las hojas. Estas pequeñas polillas son la mayor plaga del repollo en todo el mundo, y también del brócoli. Doña Ninfa ha fumigado su brócoli con sulfocálcico y biofoliar. Vi muy pocos agujeros en las hojas de la planta, típicos de los daños de la plutella, pero no encontré ninguna de sus larvas, pequeños gusanos verdes. Sea lo que sea, lo que doña Ninfa hacía, le daba buenos resultados.

Tengo un par de preguntas. Me pregunto si, además de los nutrientes del biofoliar ¿hay también microorganismos buenos que ayuden a las plantas? Para saberlo, tendríamos que analizar los microorganismos del biofoliar, antes y después de fermentarlo. Entonces necesitaríamos saber qué microorganismos siguen vivos después de ser mezclados con el sulfocálcico, que está diseñada para ser un fungicida, es decir, para matar hongos causantes de enfermedades. La mezcla puede que reduzca microorganismos, pero eso no debe bajar la cantidad de nutrientes favorables para las plantas. Agricultores investigadores de Cebollullo han estado probando relaciones de biofoliar y caldo sulfocálcico para desarrollar un control más eficiente y reducir el número de fumigaciones, para ahorrar tiempo y trabajo, ya que sus parcelas son de difícil acceso, y lejos de las fuentes de agua.   .

Esto no es una crítica a Prosuco, pero es necesario que haya más investigación formal, por ejemplo, de las universidades, sobre los fungicidas y abonos seguros, baratos y naturales que los agricultores puedan hacer en casa y sobre las combinaciones de estos insumos.

Las empresas agroquímicas tienen todas las ventajas. Cooptan la investigación universitaria. También tienen sus propios investigadores. Tienen propaganda en los medios masivos y una gran red de distribución comercial, con vendedores motivados por la meta de ganar dinero.

La agricultura ecológica tiene la buena voluntad de las ONGs, que trabajan con la población local, y con la creatividad de los propios agricultores. Un poco más de apoyo haría la diferencia.

Previamente en el blog de Agro-Insight

Microbios amigables

Videos relacionados

Buenos microbios para plantas y suelo

Vermiwash: an organic tonic for crops


Gracias a Roly Cota, Maya Apaza, y Renato Pardo de Prosuco por presentarnos a la comunidad de Cebollullo, y por compartir sus ideas sobre la agricultura orgánica con nosotros. Gracias a María Quispe, Directora de Prosuco, y Paul Van Mele, por leer y hacer valiosos comentarios sobre versiones previas de este relato. Este trabajo fue auspiciado por el Programa Colaborativo de Investigación de Cultivos (CCRP) de la Fundación McKnight.


Naturally affordable March 5th, 2023 by

Certified organic farmers often complain that they need higher prices for their produce, but this means that they will only sell to rich people. The poor won’t have access to this healthy food.

I learned this recently from Mariana Alem, a Bolivian biologist of the AGRECOL Andes Foundation, which is working with smallholder producers to grow and sell affordable organic food in low and middle income areas in the Cochabamba Valley, in Bolivia.

Since 2019, Mariana and her colleague María Omonte, an agronomist, have worked with 36 farmers, mostly women, who were already selling produce in local fairs. The farmers self-declared that their produce was free of agrochemicals. The farmers self-declared that their produce was free of agrochemicals. To build rapport in the group, the women organized themselves to visit each other for a peer review. It started as a kind of inspection, but as the women get to know each other, these visits became a chance to exchange seeds or to share information about topics like recipes for controlling pests without chemicals.

Mariana and María found one group of these farmers at a market called El Playón, in a low-income neighborhood on the edge of the urban sprawl of metropolitan Cochabamba. At this market, buyers and sellers are dressed in work cloths, wearing broad brimmed hats of rural women. They are speaking Quechua, as country people do, rather than Spanish as is spoken in the city.

Since the market only started in 2019 it still has an unfinished look. The stalls are handmade from rough lumber.

Paul and Marcella and I meet doña Gladys, who is selling tomatoes for 8 Bolivianos ($1.15) per kilo, a competitive price. Most of the other women try to sell their locotos (hot peppers) or cucumbers in small piles for 5 Bolivianos each, units that poor people are used to  buying.

Others are selling cut flowers and fruit. One of the older women, doña Saturnina, is selling organic peaches, for the same price as conventional ones. Doña Saturnina, who is joined at her stall by her granddaughters, also give us a glass of juice, made from fresh peaches boiled in water, so refreshing.

To offer organic produce at affordable prices, one trick is for farmers to sell directly to consumers. This way, the farmer can charge the retail price. It is easier said than done, because selling is work.

Mariana and María have mentored the women, helping them to make aprons and to identify themselves as self-declared ecological producers. They are not formally certified, but they are producing without agrochemicals.

To sell to retail customers, you have to be at the fair on every market day with a good diversity of products. This group plants many different crops, rather than each person planting the same thing. Then, by sitting near each other the women can attract and share customers. They also increase their range of produce by buying from their neighbor farmers and from wholesalers to sell. Unfortunately, that means that not all of their produce is organic.

With the wisdom of hindsight, Mariana and María insist that the main thing is to be transparent with the consumers when farmers adopt these strategies to supply their stall. . When the women come to sell, each one has a green cloth where they pile up their organic produce. They also have an orange cloth where they are supposed to display any vegetables that they are reselling. The distinction has been a bit too subtle for consumers and a little too hard for the farmer-sellers to manage.

“Did you forget your orange cloth today,” some vendors will chide their neighbors who are selling produce they didn’t grow, as though it were organic.

These are the kinds of learning experiences that one may have while setting up something new. These growing pains aside, the point is that selling healthy, organic food should be for everyone, not just for people who can afford to pay extra. It is important for farmers to get a fair price, while making organic food affordable. Healthy eating shouldn’t be a luxury.


Thanks to Mariana Alem and Paul Van Mele for valuable comments on a previous version of this blog. Mariana Alem and María Omonte work for the Fundación Agrecol Andes.

Related Agro-Insight blogs

Shopping with Mom

The struggle to sell healthy food

At home with agroforestry


Los agricultores ecológicos certificados a veces se quejan de que necesitan precios más altos por sus productos, pero esto significa que sólo venderán a la gente rica. Los pobres no tendrán acceso a estos alimentos sanos.

Esto lo aprendí recientemente de Mariana Alem, una bióloga boliviana de la Fundación AGRECOL Andes, que trabaja con pequeños productores para cultivar y vender alimentos orgánicos asequibles en áreas de bajos ingresos en el Valle de Cochabamba, en Bolivia.

Desde 2019, Mariana y su colega María Omonte, agrónoma, han trabajado con 36 agricultores, en su mayoría mujeres, que se auto declaran producir sin agroquímicos. Para generar confianza entre ellas, han organizado que se visiten unas a otras para una revisión entre pares. Comenzó como una especie de inspección, pero a medida que las mujeres se fueron conociendo, estas visitas se convirtieron en una oportunidad para intercambiar semillas o para compartir información sobre cómo controlar las plagas sin agroquímicos.

Mariana y María encontraron a un grupo de éstas productoras en un mercado popular que se llama El Playón, al borde de la expansión urbana de Cochabamba metropolitana. En este mercado, compradores y vendedores usan ropa de trabajo y llevan sombreros de ala ancha de mujer rural. Hablan quechua, como la gente del campo, en lugar de español, como se habla en la ciudad.

Como el mercado no empezó hasta 2019, aún tiene un aspecto inacabado. Los puestos están hechos a mano con madera áspera.

Paul, Marcella y yo nos encontramos con doña Gladys, que vende tomates a 8 bolivianos (1,15 dólares) el kilo, un precio competitivo. La mayoría de las demás mujeres intentan vender sus locotos (chiles) o pepinos en pequeños montones por 5 bolivianos cada uno, unidades que la gente pobre está acostumbrada a comprar.

Otras venden flores cortadas y fruta. Una de las mujeres mayores, doña Saturnina, vende duraznos ecológicos al mismo precio que los convencionales. Doña Saturnina, a quien acompañan en su puesto sus nietas, también nos da un vaso de jugo, hecho con duraznos frescos hervidos en agua, tan refrescante.

Para ofrecer productos ecológicos a precios asequibles, un truco es que los agricultores vendan directamente a los consumidores. De este modo, el agricultor puede cobrar el precio de venta al público. Es más fácil decirlo que hacerlo, porque vender es un trabajo.

Mariana y María han asesorado a las mujeres, ayudándolas a confeccionar mandiles y a identificarse como productoras ecológicas auto-declaradas. No están certificadas formalmente, pero producen sin agroquímicos.

Para vender directo al consumidor, hay que estar en el mercado todos los días de feria con una buena diversidad de productos. Este grupo siembra muchos cultivos diferentes, en lugar de que cada persona plante lo mismo. Así, al sentarse cerca unas de otras, las mujeres pueden atraer y compartir clientes. También aumentan su gama de productos comprando a sus vecinas agricultoras y a mayoristas para revender. Por desgracia, eso significa que no todos sus productos son ecológicos.

En retrospectiva, Mariana y María insisten en que la transparencia al consumidor es lo más importante cuando las productoras realizan este tipo de estrategias para surtir sus puestos. Cuando las mujeres vienen a vender, cada una tiene una manta verde donde amontonan sus productos ecológicos. También tienen una manta anaranjada donde se supone que exponen las verduras que revenden. La distinción ha sido un poco sutil para los consumidores y un poco difícil de manejar para las agricultoras-vendedoras.

“¿Se te ha olvidado hoy la manta anaranjada?, regañan algunas vendedoras a sus vecinas que venden productos que no han cultivado, como si fueran ecológicos.

Así se aprende sobre la marcha cuando uno pone en práctica algo nuevo. Dejando a un lado estos problemas, la cuestión es que la venta de alimentos sanos y ecológicos debería ser para todos, no sólo para quienes pueden permitirse pagar más. Es importante que los agricultores obtengan un precio justo y que los alimentos ecológicos sean accesibles. Comer sano no debería ser un lujo.


Gracias a Mariana Alem y a Paul Van Mele por sus valiosos comentarios sobre una versión previa de este blog. Mariana Alem y María Omonte trabajan para la Fundación AGRECOL Andes.

Previamente en el blog de Agro-Insight

De compras con mamá

The struggle to sell healthy food

En casa con la agroforestería



A young lawyer comes home to farm January 29th, 2023 by

Vea la versión en español a continuación

Nederlandse versie hieronder

Laura Guzmán grew up on a small farm on the edge of the city of Cochabamba, went to university, graduated with a law degree, and then left home. She was working in La Paz, Bolivia’s unofficial capital city, and doing well. Her work with a land reform agency involved a lot of field work, and on one trip she filled up her water bottle in a stream, unaware that it was contaminated from a mine upstream. Laura became very ill, and her doctor advised her that she was on the verge of developing stomach cancer. He advised her to try to avoid food produced with agrochemicals, as she needed to be more careful with her health.

On Laura’s occasional weekend visits home, she would help her mom, who had recently become certified to grow organic vegetables. Laura began to take a few vegetables back to her apartment in La Paz. She noticed that they lasted a lot longer. A conventionally-grown tomato from the market might last for five days, while an organic tomato from home would last at least two weeks. She took this as a sign that agroecological produce was healthier.

Laura eventually left her job and returned home. She began to get involved in the farm work, and loved it, especially the calm feeling she got when she worked out-doors with the plants. In 2020, she took a training from Agrecol Andes, a local NGO, to become a certified organic farmer herself, and joined her mother’s group of agroecological farmers.

Paul and Marcella and I met Laura recently at her home, where she was helping the group, mostly women, package their produce for a home delivery service called BolSaludable: from “bolsa” (bag) and “saludable” (healthy).

On Sundays, Laura also sells her produce at an open air market. She wins over her customers one at a time. She tells them that her vegetables cost a little more, because they are free of chemicals. Some customers don’t care, but some come back the following week and say that they read on the Internet that pesticide use is quite high in Bolivia (especially on tomatoes). “We are taking poison home!” one alarmed customer told her.

At the Sunday market, Laura sells some of her family’s produce, some from neighbors, and some healthy produce that she buys from wholesalers. For example, the large squash, called “zapallo” locally, is popular for making soup in Bolivia. Organic zapallo is not available, but few chemicals are used in this crop, and so Laura buys it to sell to her customers. Business is so brisk that Laura´s brother and a cousin also help at their stand.

Now 30-years-old, Laura is so happy with her work that she encourages other young people to follow her example, “because with ecological farming you not only care for yourself, you care for the earth, you care for the environment. And what’s more, you care for the future generations.”

Related Agro-Insight blog

Choosing to farm


Por Jeff Bentley, 29 enero 2023

Laura Guzmán creció en una pequeña granja a las afueras de Cochabamba, fue a la universidad, se graduó en derecho y se marchó de casa. Trabajaba en La Paz, la capital no oficial de Bolivia, y le iba bien. Trabajaba con una agencia de reforma agraria, que involucraba muchas salidas al campo. En un viaje llenó su botella de agua en una vertiente, sin saber que estaba contaminada por una mina situada río arriba. Laura se puso muy enferma y su médico le advirtió de que estaba a punto de desarrollar un cáncer de estómago. Le aconsejó que evitara los alimentos producidos con agroquímicos, ya que debía ser más cuidadosa con su salud.

En sus visitas ocasionales a casa los fines de semana, Laura ayudaba a su madre, que acababa de certificarse para cultivar verduras ecológicas. Laura empezó a llevarse algunas verduras a su departamento en La Paz. Se dio cuenta de que duraban mucho más. Un tomate convencional del mercado podía durar cinco días, mientras que un tomate ecológico de casa duraba al menos dos semanas. Lo interpretó como una señal de que los productos agroecológicos eran más sanos.

Laura dejó su trabajo y volvió a casa. Empezó a involucrarse en el trabajo de la granja, y le encantó, especialmente la sensación de calma que tiene cuando trabaja al aire libre con las plantas. En 2020, recibió formación de Agrecol Andes, una ONG local, para convertirse en agricultora ecológica certificada, y se unió al grupo de agricultores agroecológicos de su madre.

Paul, Marcella y yo conocimos a Laura hace poco en su casa, donde ayudaba al grupo de agricultoras, en su mayoría mujeres, a empaquetar sus productos para un servicio de entrega a domicilio llamado BolSaludable: de “bolsa” y “saludable”.

Los domingos, Laura también vende sus productos en un mercado al aire libre. Se gana a sus clientes de uno en uno. Les dice que sus verduras cuestan un poco más porque no tienen productos químicos. A algunos clientes les da igual, pero otros vuelven a la semana siguiente y dicen que han leído en Internet que el uso de plaguicidas es bastante elevado en Bolivia (sobre todo en los tomates). “Nos llevamos veneno a casa”, le dijo un cliente alarmado.

En el mercado de los domingos, Laura vende algunos productos de su familia, otros de los vecinos y otros sanos que compra a mayoristas. Por ejemplo, la calabaza grande, llamada “zapallo” localmente, es popular para hacer sopa en Bolivia. El zapallo ecológico no está disponible, pero en este cultivo se usan pocos productos químicos, por lo que Laura lo compra para venderlo a sus clientes. El negocio es tan dinámico que el hermano y un primo de Laura también ayudan en su puesto.

A sus 30 años, Laura está tan contenta con su trabajo que anima a otros jóvenes a seguir su ejemplo, “porque con la agricultura ecológica no sólo te cuidas tú. Cuidas la tierra, cuidas el medio ambiente. Y es más, vas a cuidar a las futuras generaciones.”

Previamente en el blog de Agro-Insight

Optando por la agricultura


Een jonge advocaat komt thuis om te boeren

Laura Guzmán groeide op op een kleine boerderij aan de rand van de stad Cochabamba, ging naar de universiteit, studeerde af met een rechtendiploma en verliet toen haar huis. Ze werkte in La Paz, de onofficiële hoofdstad van Bolivia, en deed het goed. Op een reis vulde ze haar waterfles in een beek, zonder te weten dat die was verontreinigd door een mijn stroomopwaarts. Laura werd erg ziek en haar dokter adviseerde haar dat ze op het punt stond maagkanker te krijgen. Hij raadde haar aan te proberen voedsel te vermijden dat met landbouwchemicaliën was geproduceerd, omdat ze voorzichtiger met haar gezondheid moest omgaan.

Tijdens Laura’s occasionele weekendbezoeken aan huis hielp ze haar moeder, die onlangs gecertificeerd was om biologische groenten te telen. Laura begon wat groenten mee te nemen naar haar appartement in La Paz. Ze merkte dat ze veel langer meegingen. Een conventioneel geteelde tomaat van de markt ging misschien vijf dagen mee, terwijl een biologische tomaat van thuis minstens twee weken meeging. Ze zag dit als een teken dat agro-ecologische producten gezonder waren.

Laura verliet uiteindelijk haar baan en keerde terug naar huis. Ze begon zich bezig te houden met het werk op de boerderij en vond het heerlijk, vooral het rustige gevoel dat ze kreeg als ze buiten met de planten werkte. In 2020 volgde ze een opleiding bij Agrecol Andes, een lokale NGO, om zelf een gecertificeerde biologische boerin te worden, en sloot ze zich aan bij de groep agro-ecologische boeren van haar moeder.

Paul en Marcella en ik ontmoetten Laura onlangs bij haar thuis, waar ze de groep, voornamelijk vrouwen, hielp hun producten te verpakken voor een thuisbezorgdienst met de naam BolSaludable: van “bolsa” (zak) en “saludable” (gezond).

Op zondag verkoopt Laura haar producten ook op een openluchtmarkt. Ze wint haar klanten één voor één voor zich. Ze vertelt hen dat haar groenten iets duurder zijn, omdat ze vrij zijn van chemicaliën. Sommige klanten kan het niet schelen, maar sommige komen de week daarop terug en zeggen dat ze op internet hebben gelezen dat er in Bolivia veel pesticiden worden gebruikt (vooral op tomaten). “We nemen gif mee naar huis!” zei een verontruste klant tegen haar.

Op de zondagsmarkt verkoopt Laura een deel van de producten van haar familie, een deel van de producten van de buren, en een deel gezonde producten die ze bij de groothandel koopt. Zo is de grote pompoen, die in Bolivia “zapallo” wordt genoemd, populair voor het maken van soep. Biologische zapallo is niet verkrijgbaar, maar er worden weinig chemicaliën gebruikt bij dit gewas, en dus koopt Laura het om aan haar klanten te verkopen. De zaken gaan zo goed dat Laura’s broer en een neef ook helpen in hun kraam.

Laura, nu 30 jaar oud, is zo blij met haar werk dat ze andere jonge mensen aanmoedigt haar voorbeeld te volgen, “want met ecologische landbouw zorg je niet alleen voor jezelf, maar ook voor de aarde, voor het milieu. En bovendien zorg je voor de toekomstige generaties.”

Design by Olean webdesign