WHO WE ARE SERVICES RESOURCES




Most recent stories ›
AgroInsight RSS feed
Blog

A market to nurture local food culture October 3rd, 2021 by

Nederlandse versie hieronder

Last week, I wrote about what can happen when local authorities support local food producers. La Tablée was a one-off event to inform and build a relationship with urban consumers, but there can also be more formal ways of supporting local producers.

Every city in Europe and many other places has its fresh market, with food being brought in by traders and occasionally some farmers. The food being sold can come from anywhere. Not so, in Rennes. This historic capital of Brittany in France has taken a bold decision to promote local food as much as possible.

On Saturday mornings, people flood to the Marché des Lices, happily strolling in, on the many narrow cobblestone streets, like bees drawn to a field of flowers. My wife Marcella and I immediately realize that this is not like any other fresh market.

The diversity of produce is striking. We see market stalls with plenty of leafy vegetables and fresh herbs; others sell homemade pear and apple juice, along with cider, a traditional fermented apple beverage that is currently enjoying an amazing revival. For decades, cider had lost popularity because it could not compete against the strong marketing campaigns of the wine and beer industry. Now, this tart, fruity drink is served in every bar and restaurant. Here, in the Rennes market, a bubbly cider that will pop the cork out of the bottle is presented with a certain prestige, as if it were champagne.

There is a great atmosphere and many people have a quick chat with the person selling the produce, whether it is cheese, a diversity of fish and other seafood, freshly chopped meat, mushrooms and other fungi, walnuts, fruit or vegetables.

One stand catches my eye. I take a closer look at one of the breads on display and ask the man what it is made of. “Buckwheat,” he says, “this is grown locally and contains no gluten in case you are allergic. You can keep the bread for days without it going stale.” We buy a chunk of this dark bread, which he wraps in paper. Despite the word “wheat” in its name, buckwheat is not a cereal but it is a seed. Buckwheat is related to rhubarb, and it is rich in fibre and proteins.

Buckwheat grows on light, well-drained soils, and has also been a traditional crop where we live in Limburg, in northeast Belgium, but I had never seen bread made from it. On special occasions and in a few restaurants one can eat buckwheat pancakes in Belgium, but in this part of France, it is on every single menu, presented as a local specialty. During the week that we spent in Rennes we discover various restaurants that sell uniquely buckwheat pancakes, often served with a jar of cider.

Before we leave the market, we pass through a narrow street lined on both sides with food trucks. All of them serve buckwheat pancakes. There is the option to add a sausage, with mustard or another sauce, rolled up and eaten like a hot dog. It strikes us that the least flashy food truck has the longest cue. It is the only one that serves galettes made from organic buckwheat!

Later on, I learn that during the Covid crisis local producers were being pushed out from the market by middlemen and that the Rennes city council committed to changes after Olivier Marie, a respected Breton culinary journalist, made a case to boost the presence of local farmers and artisans and curb unethical merchants!

Because farmers can sell so much of their produce at this weekly market, it seems to give them enough added income to stay in farming.

Local authorities can stimulate local food production and local food processing by creating a favourable market environment. Overly rigid food regulations, as we have in Belgium, do not leave any space for such initiatives that allow local food culture to flourish. It is time we take a better look across our borders and learn from inspiring examples across the globe.

Related Agro-Insight blogs

La Tablée

The baker farmers

Better food for better farming

Marketing something nice

Damaging the soil and our health with chemical reductionism

The juice mobile

Formerly known as food

Forgotten vegetables

Not sold in stores

An exit strategy

 

Een markt om de lokale voedselcultuur te stimuleren

Vorige week schreef ik over wat er kan gebeuren als lokale overheden lokale voedselproducenten ondersteunen. La Tablée was een eenmalig evenement om de stedelijke consument te informeren en een relatie tussen hem en de boeren uit de streek op te bouwen, maar er kunnen ook formelere manieren zijn om lokale producenten te ondersteunen.

Elke stad in Europa heeft hun vers-markt, waar voedsel wordt aangevoerd door handelaars en af en toe enkele boeren. Het verkochte voedsel kan overal vandaan komen. Niet zo in Rennes. Deze historische hoofdstad van Bretagne in Frankrijk heeft een moedig besluit genomen om lokale levensmiddelen zoveel mogelijk te promoten.

Op zaterdagochtend stromen de mensen naar de Marché des Lices, blij slenterend door de vele smalle geplaveide straatjes, als bijen aangetrokken door een veld vol bloemen. Mijn vrouw Marcella en ik beseffen onmiddellijk dat dit geen gewone vers-markt is.

De verscheidenheid aan producten is opvallend. We zien marktkraampjes met veel bladgroenten en verse kruiden; anderen verkopen zelfgemaakt peren- en appelsap, samen met cider, een traditionele gefermenteerde appeldrank die momenteel een verbazingwekkende revival beleeft. Decennialang had cider aan populariteit ingeboet omdat het niet kon opboksen tegen de sterke marketingcampagnes van de wijn- en bierindustrie. Nu wordt deze zure, fruitige drank in elke bar en elk restaurant geserveerd. Hier, op de markt van Rennes, wordt een bruisende cider die de kurk uit de fles laat springen, gepresenteerd met een zeker prestige, als ware het champagne.

Er heerst een gezellige sfeer en veel mensen maken snel een praatje met degene die de producten verkoopt, of het nu gaat om kaas, diverse soorten vis en andere zeevruchten, vers gehakt vlees, paddenstoelen en andere zwammen, walnoten, fruit of groenten.

EĂ©n kraam valt me op. Ik bekijk een van de uitgestalde broden van dichtbij en vraag de man waar het van gemaakt is. “Boekweit”, zegt hij, “dit wordt lokaal verbouwd en bevat geen gluten voor het geval je allergisch bent. Je kunt het brood dagenlang bewaren zonder dat het oudbakken wordt.” We kopen een brok van dit donkere brood, dat hij in papier wikkelt. Boekweit is geen graansoort maar een zaad. Boekweit is verwant aan rabarber, en het is rijk aan vezels en eiwitten.

Boekweit groeit op lichte, goed gedraineerde grond, en is ook een traditioneel gewas waar wij wonen in Limburg, in het noordoosten van België, maar ik had er nog nooit brood van zien maken. In België kan men bij speciale gelegenheden en in enkele restaurants boekweitpannenkoeken eten, maar in dit deel van Frankrijk staat het op elke menukaart, gepresenteerd als een plaatselijke specialiteit. Tijdens de week die we in Rennes doorbrachten, ontdekken we verschillende restaurants die uitsluitend boekweitpannenkoeken verkopen, vaak geserveerd met een kruik cider.

Voordat we de markt verlaten, komen we door een smal straatje dat aan beide kanten is afgezet met foodtrucks. Ze serveren allemaal boekweitpannenkoeken. Er kan een worstje bij, met mosterd of een andere saus, opgerold en gegeten als een hot dog. Het valt ons op dat de minst flitsende foodtruck de langste rij wachtenden heeft. Het is de enige die galettes van biologische boekweit serveert!

Later hoor ik dat tijdens de Covid-crisis lokale producenten door tussenhandelaren van de markt werden verdrongen en dat het stadsbestuur van Rennes veranderingen heeft toegezegd nadat Olivier Marie, een gerespecteerd Bretons culinair journalist, een pleidooi had gehouden om de aanwezigheid van lokale boeren en ambachtslieden te stimuleren en onethische handelaren aan banden te leggen!

Omdat de boeren op deze wekelijkse markt zoveel van hun producten kunnen verkopen, lijkt het erop dat dit hen genoeg extra inkomsten oplevert om in de landbouw te blijven.

Lokale overheden kunnen de lokale voedselproductie en lokale voedselverwerking stimuleren door een gunstig marktklimaat te scheppen. Een al te rigide voedselreglementering, zoals we die in België hebben, laat geen ruimte voor dergelijke initiatieven die de lokale voedselcultuur tot bloei laten komen. Het is tijd dat we eens wat meer voorbij onze grenzen kijken en leren van inspirerende voorbeelden over de hele wereld.

La Tablée September 26th, 2021 by

Nederlandse versie hieronder

The choice to eat healthy, organic food cannot be left to consumers alone. While organising farm visits to inform and build trust among consumers is important, too often such initiatives are left to individual farmers. But when this is coordinated at a higher level with multiple stakeholders, including local authorities, an amazing dynamism can be created, as I recently learned during a visit to France.

With my wife Marcella and colleagues from Access Agriculture, we decided to stay a few days longer in Rennes, after we attended the Organic World Congress in September 2021. Strolling through the historic city centre towards the old church of Saint George, we are pleasantly surprised to discover La Tablée (Table Guests), a festive open-air event on the grounds around the ruins where people are invited to taste local products laid out on long lines of picnic tables.

The TablĂ©e and various other events we attended were all organised by the collegial group created by those involved from the initial application of Rennes city to host the Organic World Congress. They called their group ‘Voyage to Organic Lands’.

After some friendly volunteers explained the concept, we took a seat and started to taste some of the apple juices, which are all delicious and remarkably distinct. Each bottle has a name printed on the bottle screw cap (Arthur, Lancelot, Merlin, Gauvain, Vivianne, Perceval and Excalibur). Before France was unified in 843 AD, Britain (la Grande Bretagne) and Brittany (la Petite Bretagne) had close ties and historians increasingly believe that the legend of the hero king Arthur and his brave knights have their roots in France, in the forests near Rennes. Perhaps French apple juice or cider was served at the round table.

When I heard someone speaking about apples over the loudspeakers, I realized that there was a live radio show taking place on one of the corners. Radio Rennes was interviewing the organic apple grower, Arnaud Lebrun. In full honesty, Arnaud explained how he started his career as a salesman for a pesticide company.

“After more than a decade, I began to see all the damage this was doing to the environment, and I could no longer find peace with myself. I decided to quit my job and make a 180-degree shift. My wife and I bought a neglected apple orchard with trees that were already 40 years old and we converted it into an organic apple orchard. We had to learn everything,” Arnaud explains live on air, “I did not even know how to drive a tractor.”

In the shade of an old oak tree, interviews went on all day long with local farmers and food producers. While we only stayed on for an hour or so, I could still hear Arnaud’s wife profess: “our customers truly appreciate all the products we make from our apples. What gives me the most satisfaction is to see the smiles on people’s faces.”

Brittany has the richest diversity of apple varieties in the country and a long tradition of producing cider and pomée, a thick sweet to spread on bread. Preparing the pomée is a community event that celebrates harvest, as the women clean the apples while men take turns all night long stirring the thickening pomade in a huge copper pot over a fire.

Another remarkable traditional product on the picnic tables is gwell, a creamy type of yoghurt made by fermenting raw milk from the pie noire, a breed of local cow that almost went extinct in the 1970s. Gwell is traditionally eaten with flat round buckwheat cakes (galette) or potatoes, and is an excellent ingredient for desserts.

As we are having a great culinary experience, Lisa and Olivier, the sympathetic local baker farmers whom we just got to know at the Organic World Congress, arrive and join our table. They brought with them some more fresh bread and other traditional goodies.

Small leaflets, each one with a little quiz, invite people to reflect on one particular aspect of making and eating food. This pleasant event brings consumers and producers closer to each other, and with the radio reaches a much wider audience.

For over 60 years, consumers have been influenced by marketeers to eat and drink over-processed foods, stripped of their nutrients. It will take time for people to switch from flavour-enhanced junk to real food. Through joint efforts between organic and biodynamic farmer associations, researchers, restaurant owners, as well as authorities from cities and regions, changing consumer behaviour towards healthy, natural food can become a continuous concerted effort.

As I learned that week in Rennes around the table, consumers and farmers need more than connections, they need to form communities, and a bit of fun can help.

Discover more

Voyage to Organic Lands / Voyage en Terre Bio: https://www.voyageenterrebio.org

Related Agro-Insight blogs

The baker farmers

Better food for better farming

Marketing something nice

Damaging the soil and our health with chemical reductionism

The juice mobile

Formerly known as food

Forgotten vegetables

Not sold in stores

An exit strategy

 

De tafelgasten

De keuze om gezond, biologisch voedsel te eten kan niet alleen aan de consument worden overgelaten. Hoewel het belangrijk is boerderijbezoeken te organiseren om de consumenten te informeren en vertrouwen te wekken, worden dergelijke initiatieven maar al te vaak overgelaten aan individuele landbouwers. Maar wanneer dit op een hoger niveau wordt gecoördineerd met meerdere belanghebbenden, waaronder lokale overheden, kan een verbazingwekkende dynamiek ontstaan, zoals ik onlangs leerde in Frankrijk.

Met mijn vrouw Marcella en collega’s van onze vzw Access Agriculture besloten we een paar dagen langer in Rennes te blijven, nadat we in september 2021 het Organic World Congress hadden bijgewoond. Wandelend door het historische stadscentrum in de richting van de oude kerk Saint George, worden we aangenaam verrast als we La TablĂ©e (Tafelgasten) ontdekken, een feestelijk openluchtevenement op het terrein rond de ruĂŻne waar mensen worden uitgenodigd om lokale producten te proeven die op lange rijen picknicktafels zijn neergezet.

Nadat enkele vriendelijke vrijwilligers het concept hadden uitgelegd, namen we plaats en begonnen we met het proeven van enkele van de appelsappen, die allemaal heerlijk en opmerkelijk verschillend zijn. Op elk flesje staat een naam gedrukt op de schroefdop (Arthur, Lancelot, Merlijn, Gauvain, Vivianne, Perceval en Excalibur). Voordat Frankrijk in het jaar 843 werd verenigd, hadden Groot-Brittannië (la Grande Bretagne) en Bretagne (la Petite Bretagne) nauwe banden en historici geloven steeds meer dat de legende van koning Arthur en zijn dappere ridders hun wortels hebben in Frankrijk, in de bossen bij Rennes. Misschien werd er aan de ronde tafel wel Frans appelsap of cider geserveerd.

Toen ik iemand over appels hoorde praten via de luidsprekers, realiseerde ik me dat er een live radioprogramma aan de gang was op het terrein. Radio Rennes interviewde de biologische appelteler, Arnaud Lebrun. In alle eerlijkheid legde Arnaud uit hoe hij zijn carrière was begonnen als verkoper bij een pesticidenbedrijf.

“Na meer dan tien jaar begon ik de schade aan het milieu in te zien, en ik kon geen vrede meer met mezelf vinden. Ik besloot mijn baan op te zeggen en een ommezwaai van 180 graden te maken. Mijn vrouw en ik kochten een verwaarloosde appelboomgaard met bomen die al 40 jaar oud waren en we bouwden die om tot een biologische appelboomgaard. We hebben alles moeten leren”, vertelt Arnaud live in de uitzending, “ik wist niet eens hoe ik een tractor moest besturen.”

In de schaduw van een oude eik gingen de interviews de hele dag door met lokale boeren en voedselproducenten. Hoewel we maar een uurtje aanhielden, kon ik Arnauds vrouw nog horen uitroepen: “onze klanten waarderen echt alle producten die we van onze appels maken. Wat mij de meeste voldoening geeft, is de glimlach op de gezichten van de mensen te zien.”

Bretagne heeft de rijkste verscheidenheid aan appelvariëteiten van het land en een lange traditie in de productie van cider en pomée, een dik snoepje om op brood te smeren. Het bereiden van de pomée is een gemeenschapsgebeuren dat de oogst viert, waarbij de vrouwen de appels schoonmaken terwijl de mannen om beurten de hele nacht lang de indikkende pomée in een enorme koperen pot boven een vuur roeren.

Een ander opmerkelijk traditioneel product op de picknicktafels is gwell, een romige soort yoghurt die wordt gemaakt door rauwe melk van de pie noire te laten gisten, een lokaal koeienras dat in de jaren zeventig bijna was uitgestorven. Gwell wordt traditioneel gegeten met platte ronde boekweitkoeken of aardappelen, en is een uitstekend ingrediënt voor desserts.

Terwijl we aan het genieten zijn van onze culinaire ervaring, komen Lisa en Olivier, de sympathieke lokale bakkers-boeren die we net hebben leren kennen op het Organic World Congress, aan onze tafel zitten. Ze hebben nog wat vers brood en andere traditionele lekkernijen bij zich.

Kleine folders, elk met een korte quiz, nodigen uit om na te denken over een bepaald aspect van het produceren en eten van voedsel. Dit gezellige evenement brengt consumenten en producenten dichter bij elkaar, en bereikt met de radio een veel breder publiek.

Al meer dan 60 jaar worden consumenten door marketeers beĂŻnvloed om overbewerkte voedingsmiddelen te eten en te drinken, ontdaan van hun voedingsstoffen. Het zal tijd vergen voordat de mensen overschakelen van smaakversterkende junk naar echt voedsel. Door gezamenlijke inspanningen van verenigingen van biologische en biodynamische landbouwers, onderzoekers, restauranthouders en autoriteiten van steden en regio’s kan het veranderen van het consumentengedrag in de richting van gezond, natuurlijk voedsel een continue gezamenlijke inspanning worden.

Die week in Rennes aan de tafel heb ik geleerd dat consumenten en boeren meer nodig hebben dan verbindingen, ze moeten gemeenschappen vormen, en een beetje plezier kan daarbij helpen.

The baker farmers September 19th, 2021 by

Nederlandse versie hieronder

The Organic World Congress, only takes place once every three years, and this year it was in France, which was lucky for me, because I had the pleasure of getting to know Olivier Clisson and his Irish wife Lisa O’Beirne. On their inspiring biodynamic farm Le Chant du BlĂ© (The song of wheat) on the outskirts of Rennes, they grow their own wheat and rye, various fruits, and they keep some farm animals. Neither Olivier nor Lisa come from a farming background, but they have both found their own passionate match between farming and preparing food.

Lisa always loved cooking, but her parents encouraged her to get a university degree, so she did. Lisa and Olivier chose to study together in Belfast, and quickly became young parents. In need of starting to earn money and not wanting to raise their son amidst the Northern Ireland conflict, Olivier quit his studies on Irish history and the couple decided to move to Rennes, the capital of Brittany in France. After Lisa pursued her Masters in English, she worked as a project manager in international business. It would take another 10 years before she was able to live out her dream: Lisa ran the first registered organic restaurant in France for over a decade.

During their first years in France, Olivier taught agriculture while learning hands-on farming techniques in his free time. He then obtained an Agricultural diploma in Biodynamic Farming (BPREA) with the hope of becoming a farmer himself. Until one day, he visited a traditional bakery. “When the baker opened the wood oven, the smell of fresh bread was so overwhelming that I realized that this is what I wanted to do. It was like a calling,” remembers Olivier.

At their farmhouse, Olivier opens a small room where he proudly shows his Astrié mill that he had tailor-made. “The only mills you find on the market are for large bakeries, and I needed something smaller to suit my needs. I can regulate the distance between the two granite mill stones and grind my flour nearly constantly at a very low speed all day. My grains never get hot, so they are not precooked before making my breads and the flour keeps its full qualities.”

The bran is fed to four pigs that happily roam outdoors in a large pen behind the farmhouse, so nothing is wasted.

Next, Olivier shows his small bakery room where he keeps his sourdough starter and the bread baskets woven from willow twigs. Lined with a cotton cloth, the dough is left to rise in the baskets for six hours, after which he transfers the dough to the wood-fired oven. It is 5 pm but when he opens the oven, located just outside the baking room, some of the heat from the morning baking has remained. Olivier and Lisa had this oven built by an old man, a master of this unique skill, so it may be one of the last ovens built this way. The wood-fired oven is a major part of their unique approach to prepare food with deep respect and knowledge.

“You have to be fully focused when making bread, as every day is different. The dough, the weather and also the wood we use to fuel the oven is different each day, so if you are tired and not fully mindful you will not make good bread that day,” confides Olivier. He bakes his bread between 260 and 270 degrees, but there is no thermometer. After he removes the ashes and swipes the oven floor with a wet cotton cloth attached to a wooden stick, he developed his own way to assess if the temperature is right.

“I sprinkle some flour in the oven and count to four. If it turns black before I finish counting, the oven is still too hot and I sweep a few more times with the moist cotton cloth, or else my bread will be burned. If it takes longer than four counts, the oven is not hot enough and my bread will not be fully cooked.” According to Olivier, preparing bread is the easy part, but getting to master your wood oven may take three months or more.

Spread over four days a week Olivier bakes about 250 kilograms of flour: mostly sourdough breads with a blend of 70% wheat and 30% rye, but also brioches and pies with a wide range of berries that they also grow on their farm. “All that is baked is pre-ordered and paid in advance as part of food baskets that are prepared with about ten other local organic farmers producing everything from cheese to beef to pancakes,” says Lisa. “Our bakery products are in such demand that whenever someone decides to stop their subscription and wants to get back in, they get on a waiting list and it may take two years before they can again order our bread.”

Now in their late forties, Olivier and Lisa have worked hard all their lives, but they are filled with joy and grateful to be able to do what they love to do, day after day.

Olivier also teaches a course on biodynamic farming at the BPREA National diploma in Biodynamic Farming and has so far hosted 20 baker apprentices. “Being able to pass on what we have learned to the younger generation is what has given us the most satisfaction,” the couple concludes.

Besides the enormous popularity of their bakery products, Olivier and Lisa are also driven by a rewarding quality of life and being able to constantly learn and explore. This inspiring couple shows how a family farm can produce honest food with respect for people and nature.

More info

Le Chant du Blé: www.leclicdeschamps.com/Le-Chant-du-Ble#.YUBI199cJPY

Watch the great video on EcoAgtube: https://www.ecoagtube.org/content/paysan-boulanger-la-ferme-autonome-du-champ-au-pain

or on youtube: https://www.youtube.com/watch?v=tVoVH3AwRgk

Credit

The last three photos are extracted from the video by Pierre Girard, #TousTerriens.

Related Agro-Insight blog stories

The next generation of farmers

The pleasure of bread

Egyptian corn

 

De bakkers boeren

Het Wereldcongres Biologische Landbouw vindt maar eens in de drie jaar plaats, en dit jaar was het in Frankrijk, wat een geluk voor mij was, want ik had het genoegen Olivier Clisson en zijn Ierse vrouw Lisa O’Beirne te leren kennen. Op hun inspirerende biodynamische boerderij Le Chant du BlĂ© (Het lied van het graan) aan de rand van Rennes verbouwen ze hun eigen tarwe en rogge, diverse fruitsoorten, en houden ze enkele boerderijdieren. Olivier noch Lisa hebben een agrarische achtergrond, maar ze hebben beiden hun eigen passie gevonden tussen landbouw en het bereiden van voedsel.

Lisa hield altijd al van koken, maar haar ouders moedigden haar aan om een universitaire graad te behalen, dus deed ze dat. Lisa en Olivier kozen ervoor om samen in Belfast te gaan studeren, en werden al snel jonge ouders. Omdat ze geld moesten gaan verdienen en hun zoon niet wilden opvoeden temidden van het Noord-Ierse conflict, stopte Olivier met zijn studie Ierse geschiedenis en besloot het stel te verhuizen naar Rennes, de hoofdstad van Bretagne in Frankrijk. Het zou nog 10 jaar duren voordat ze haar droom kon verwezenlijken: Lisa runde het eerste geregistreerde biologische restaurant in Frankrijk.

Tijdens hun eerste jaren in Frankrijk gaf Olivier les in landbouw en leerde hij in zijn vrije tijd van boeren de praktijk. Daarna behaalde hij een landbouwdiploma in biodynamische landbouw (BPREA) met de hoop zelf boer te worden. Tot hij op een dag een traditionele bakkerij bezocht. “Toen de bakker de houtoven opende, was de geur van vers brood zo overweldigend dat ik besefte dat dit is wat ik wilde doen. Het was als een roeping,” herinnert Olivier zich.

In hun boerderij opent Olivier een kleine kamer waar hij trots zijn AstriĂ©-molen laat zien die hij op maat heeft laten maken. “De enige molens die je op de markt vindt, zijn voor grote bakkerijen, en ik had iets kleiner nodig om aan mijn behoeften te voldoen. Ik kan de afstand tussen de twee granieten molenstenen regelen en maal mijn meel de hele dag bijna constant op een heel laag toerental. Mijn granen worden nooit heet, dus ze worden niet voorgekookt voor ik mijn broden maak en het meel behoudt zijn volle kwaliteiten.”

De zemelen worden gevoerd aan vier varkens die vrolijk buiten rondscharrelen in een groot hok achter de boerderij, zodat er niets wordt verspild.

Vervolgens laat Olivier zijn kleine bakkerijruimte zien, waar hij zijn zuurdesem en de van wilgentakken gevlochten broodmanden bewaart. Bekleed met een katoenen doek laat hij het deeg zes uur rijzen in de mandjes, waarna hij het deeg overbrengt naar de houtoven. Het is 5 uur ‘s middags, maar als hij de oven opent, die zich net buiten de bakkamer bevindt, is er nog wat van de warmte van het bakken van ‘s morgens over. Olivier en Lisa hebben deze oven laten bouwen door een oude man, een meester in deze unieke vaardigheid, dus het is misschien een van de laatste ovens die op deze manier gebouwd is. De houtoven is een belangrijk onderdeel van hun unieke aanpak om voedsel te bereiden met diep respect en kennis.

“Je moet volledig gefocust zijn als je brood maakt, want elke dag is anders. Het deeg, het weer en ook het hout dat we gebruiken om de oven te stoken is elke dag anders, dus als je moe bent en niet helemaal bij je verstand, zul je die dag geen goed brood bakken”, vertrouwt Olivier ons toe. Hij bakt zijn brood tussen 260 en 270 graden, maar er is geen thermometer. Nadat hij de as heeft verwijderd en de ovenvloer heeft schoongeveegd met een natte katoenen doek die aan een houten stok is bevestigd, heeft hij zijn eigen manier ontwikkeld om te beoordelen of de temperatuur goed is.

“Ik strooi wat bloem in de oven en tel tot vier. Als het zwart wordt voordat ik klaar ben met tellen, is de oven nog te heet en veeg ik nog een paar keer met de vochtige katoenen doek, anders verbrandt mijn brood. Duurt het langer dan vier tellen, dan is de oven niet heet genoeg en is mijn brood niet helemaal gaar.” Volgens Olivier is het bereiden van brood het gemakkelijke deel, maar het onder de knie krijgen van je houtoven kan drie maanden of langer duren.

Verspreid over vier dagen per week bakt Olivier zo’n 250 kilo meel: meestal zuurdesembroden met een mix van 70% tarwe en 30% rogge, maar ook brioches en taarten met een breed scala aan bessen die ze ook op hun boerderij verbouwen. “Alles wat gebakken wordt, wordt vooraf besteld en betaald als onderdeel van voedselpakketten die worden samengesteld met een tiental andere lokale biologische boeren die alles produceren, van kaas tot rundvlees tot pannenkoeken,” zegt Lisa. “Er is zoveel vraag naar onze bakkerijproducten dat als iemand besluit te stoppen met zijn abonnement en weer mee wil doen, ze op een wachtlijst komen te staan en het twee jaar kan duren voordat ze ons brood weer kunnen bestellen.”

Nu ze eind veertig zijn, hebben Olivier en Lisa hun hele leven hard gewerkt, maar ze zijn vervuld van vreugde en dankbaar dat ze kunnen doen wat ze het liefste doen, elke dag weer.

Olivier geeft ondertussen ook een cursus over biologisch-dynamische landbouw aan het National diploma in Biodynamic Farming (BPREA) en heeft tot nu toe 20 bakkerstagiairs ontvangen. “In staat zijn om wat we hebben geleerd door te geven aan de jongere generatie is wat ons de meeste voldoening heeft gegeven,” concludeert het echtpaar.

Naast de enorme populariteit van hun bakkerijproducten, worden Olivier en Lisa ook gedreven door een lonende levenskwaliteit en de mogelijkheid om voortdurend te leren en te ontdekken. Dit inspirerende koppel laat zien hoe een familieboerderij eerlijk voedsel kan produceren met respect voor mens en natuur.

Bekijk hun video op: www.ecoagtube.org/content/paysan-boulanger-la-ferme-autonome-du-champ-au-pain

Credit

The laatste 3 fotos komen uit de video by Pierre Girard, #TousTerriens.

Refugee farm August 29th, 2021 by

Vea la versión en español a continuación

It takes skill and knowledge to be a farmer. Hard work alone won’t always make you a farmer, as shown by an experiment in Bolivia in the early 1940s.

In 1938 and 1939, when most of the world’s countries were closing their borders to the victims of Nazism in Central Europe, Bolivian consulates were one of the few places where refugees could get a visa. Many were “agricultural visas,” and others were obtained by making extra payments to consular officials.

In Hotel Bolivia, Leo Spitzer tells the story of the thousands of people who found a safe haven in Bolivia. Spitzer is well placed to write the story. He is a professional historian, born in La Paz in 1939 to a family recently arrived from Austria. Although the refugees arrived penniless and traumatized, once in Bolivia they received some help from organizations like the American Jewish Joint Distribution Committee (JDC, based in New York), and from Mauricio (Moritz) Hochschild, a Jewish immigrant who had left his village near Frankfurt in the 1920s to become one of Bolivia’s three wealthy tin barons.

Hochschild was sensitive to what we would now call optics. He thought the German-speaking refugees were too visible in what were then Bolivia’s two big cities, La Paz and Cochabamba. Many refugees had opened small businesses. Spitzer’s own father, Eugen, ran a successful plumbing and electrical shop near the Plaza del Estudiante, in the heart of La Paz.

The tin baron feared that seeing so many recently arrived foreigners might spark anti-Semitism, especially since it was becoming something of a scandal that the consulates had demanded bribes. It turned out that Hochschild’s worries were exaggerated. The Bolivians were neither very welcoming, nor very hostile. They patronized the newcomers’ shops and allowed them to set up their own school, where children were taught in German.

Nevertheless, the concerned Hochschild convinced the JDC to buy three haciendas, some 1,000 hectares of mountainous land in a place called Charobamba, near the small town of Coroico, just 100 km from La Paz, but three thousand meters lower, down a narrow, winding, treacherous road.

The colony was called Buena Tierra (Good Land) and it got off to a good start in 1940. The settlers had a clinic, staffed with a refugee doctor and nurse. The settlers met often for social events, and they were organized. They received a stipend of about 1,000 bolivianos ($23, which was worth more in the 1940s). This bit of money allowed the would-be farmers to survive as they built themselves small adobe houses with cement floors and sheet metal roofs.

Unfortunately, few if any of the settlers had experience with agriculture or even with rural life. One year they were strolling down the avenues of Vienna, and the next year they were blasting a road with dynamite from Charobamba to Coroico.  Their guide for farming was an Italian-Argentine agronomist, Felipe Bonoli, who tried to repeat his success of leading an Italian colony on the temperate plains of Argentina, but the steep, tropical hillsides of Charobamba were another matter, and Bonoli soon left. A German agronomist, Otto Braun, fared no better and left in 1942 after a year after trying to teach the colonists to plant coffee and bananas, crops that Braun had no experience with. Finally, Tierra Buena hired two local farmers, Luis Solís and Luis Gamarra, and the colony did begin producing small amounts of citrus, coffee and bananas, but these are all perennial crops, and the settlers seem to have been frustrated that they took so long to bear fruit.

At the height of the experience, in 1943 there were 180 adult refugees living and working in Tierra Buena, and some hired laborers, Aymara-speaking people (some from the area, and others from Lake Titicaca). But as the World War II ended, most of the colonists returned to the city, applied for visas, and emigrated, mainly to the United States, Palestine, Chile and Brazil.

One colonist did stay. Hans Homburger lived in Tierra Buena until the farm was disbanded in 1960. By then it was being successfully farmed by the former laborers, who worked on the farm for two days a week in exchange for the right to use some of the land to grow their own crops. With their farming skills, and local knowledge, the former employees were able to make hard work pay off, and they harvested fruit and coffee to sell.

It takes more than hard work and enthusiasm to be a successful farmer. Farming takes skill and know-how, much of which must be local, and grounded in practice.

Further reading

Spitzer, Leo 2019 Hotel Bolivia: The Culture of Memory in a Refuge from Nazism. Plunkett Lake Press. (Especially Chapter 4).

UN REFUGIO AGRĂŤCOLA

Por Jeff Bentley, 22 de agosto del 2021}

Ser agricultor quiere habilidad y conocimiento. El trabajo duro por sí solo no siempre es suficiente, como demuestra un experimento hecho en Bolivia a principios de la década de 1940.

En 1938 y 1939, cuando la mayorĂ­a de los paĂ­ses del mundo cerraban sus fronteras a las vĂ­ctimas del nazismo en Europa Central, los consulados bolivianos eran uno de los pocos lugares donde los refugiados podĂ­an obtener una visa. Muchas eran “visas agrĂ­colas” y otras se obtuvieron con una coima al funcionario consular.

En Hotel Bolivia, Leo Spitzer cuenta la historia de los miles de personas que encontraron un refugio en Bolivia. Spitzer está bien situado para escribir esta historia. Es un historiador profesional, nacido en La Paz en 1939 en una familia recién llegada de Austria. Aunque los refugiados llegaron sin dinero y traumatizados, una vez en Bolivia recibieron cierta ayuda de organizaciones como el Comité Conjunto Judío Americano de Distribución (JDC, con sede en Nueva York), y de Mauricio (Moritz) Hochschild, un inmigrante judío que había dejado su pueblo cerca de Frankfurt en la década de 1920 para convertirse en uno de los tres ricos barones del estaño de Bolivia.

Hochschild era sensible a lo que ahora llamaríamos la óptica. Pensaba que los refugiados de habla alemana eran demasiado visibles en las dos grandes ciudades de Bolivia, La Paz y Cochabamba. Muchos refugiados habían abierto pequeños negocios. El propio padre de Spitzer, Eugen, tenía una exitosa tienda de plomería y electricidad cerca de la Plaza del Estudiante, en el corazón de La Paz.

El barón del estaño temía que la presencia de tantos extranjeros recién llegados pudiera desencadenar el antisemitismo, sobre todo porque se estaba convirtiendo en un escándalo el hecho de que los oficiales habían vendido las visas con un sobreprecio. Resultó que las preocupaciones de Hochschild eran exageradas. Los bolivianos no eran ni muy acogedores ni muy hostiles. Patrocinaron las tiendas de los recién llegados y les permitieron establecer su propia escuela, en la que se enseñaba a los niños en alemán.

Sin embargo, el preocupado Hochschild convenció al JDC para que comprara tres haciendas, unas mil hectáreas de tierra montañosa en un lugar llamado Charobamba, cerca de la pequeña ciudad de Coroico, a sólo 100 km de La Paz, pero tres mil metros más abajo, por una carretera estrecha, sinuosa y traicionera.

La colonia se llamó Tierra Buena y comenzó bien en el 1940. Los colonos tenían una clínica, atendida por un médico y una enfermera refugiados. Los colonos se reunían a menudo para celebrar actos sociales y estaban organizados. Recibían un estipendio de unos 1.000 bolivianos (23 dólares, que valían más en la década de 1940). Este dinero les permitía sobrevivir mientras construían pequeñas casas de adobe con pisos de cemento y techos de calamina corrugada.

Infelizmente, pocos o ninguno de los colonos tenían experiencia en la agricultura o incluso en la vida rural. Un año paseaban por las avenidas de Viena y al año siguiente construían una carretera a dinamitazos desde Charobamba hasta Coroico.  Su guía para la agricultura era un agrónomo italo-argentino, Felipe Bonoli, que intentó repetir su éxito al frente de una colonia italiana en las pampas templadas de Argentina, pero las empinadas laderas tropicales de Charobamba eran otra cosa, y Bonoli pronto se marchó. A un agrónomo alemán, Otto Braun, no le fue mejor y se fue en 1942 tras un año de intentar enseñar a los colonos a plantar café y plátanos, cultivos en los que Braun no tenía experiencia. Finalmente, Tierra Buena contrató a dos agricultores locales, Luis Solís y Luis Gamarra, y la colonia empezó a producir pequeñas cantidades de cítricos, café y plátanos, pero todos son cultivos perennes, y los colonos parecen haberse sentido frustrados porque tardaran tanto en dar fruto.

En su apogeo, en 1943 habĂ­a 180 refugiados adultos viviendo y trabajando en Tierra Buena, y algunos trabajadores contratados, gente de habla aymara (algunos de la zona y otros del Lago Titicaca). Pero al terminar la Segunda Guerra Mundial, la mayorĂ­a de los colonos regresaron a la ciudad, solicitaron visados y emigraron, principalmente a Estados Unidos, Palestina, Chile y Brasil.

Un colono se quedó. Hans Homburger vivió en Buena Tierra hasta que la finca se disolvió en 1960. Para entonces, los antiguos jornaleros la explotaban con éxito, trabajando en la granja dos días a la semana a cambio del derecho a usar parte de la tierra para cultivar sus propios productos. Con sus habilidades agrícolas y sus conocimientos locales, los antiguos empleados consiguieron que el trabajo duro diera sus frutos, y cosecharon fruta y café para vender.

Se necesita algo más que trabajo duro y entusiasmo para ser un agricultor de éxito. La agricultura requiere destreza y conocimientos, muchos de los cuales deben ser locales y estar basados en la práctica.

Lectura adicional

Spitzer, Leo 2021 Hotel Bolivia: La Cultura de la Memoria en un Refugio del Nazismo. La Paz: Plural Editores. (Especialmente el CapĂ­tulo 4).

Stopping malaria in Europe August 15th, 2021 by

Nederlandse versie volgt hieronder

Historical breakthroughs have often been made by applying ideas from elsewhere. This dawned on me once more while reading Fiammetta Rocco’s inspiring book Quinine – Malaria and the quest for a cure that changed the world. Without the stubbornness and perseverance of a Jesuit priest in the 17th century, the population of Europe would have been further decimated by malaria, currently only known to be a tropical disease, on top of the devastating plague or black death, which killed at least 4 million people during that time.

While the kings of Spain, Portugal, France, England and the Netherlands were fighting naval battles to gain or keep control over colonies, marsh fever was common in many parts of Europe with temporary wetlands. In Italy it was called mal’aria, a contracted form of mala aria or bad air, as the disease was thought to be caused by inhaling the unhealthy vapours of marshes.

Medical science had hardly advanced since the times of ancient Greece. Fever was considered a disease, not a symptom, caused by the imbalance of the four humours or basic elements which were believed to make up the human body: blood, yellow bile, black bile and phlegm. A patient with fever was said to be suffering from a fermentation of the blood resulting from too much bile. As fermenting blood behaved like boiling milk, producing a thick froth that had to be removed before the patient could recover, the preferred treatment for fever was bleeding or purging with laxatives, or both. The “cure” was often worse than the disease.

For a long time, advances in medical science were greatly influenced by religion. According to the philosophy of their Spanish founder, Ignatius of Loyola, Jesuits were not to become doctors but rather to focus on people’s souls, yet many took a great interest in human health, studied anatomy and played a significant role in establishing pharmacies across the globe during the 17th century. Some of them even changed the course of medicine.

Brother Augustine Salumbrino, like many of the young Jesuits who were posted in Peru, made it a priority to learn Quechua and some took a deep interest in understanding local knowledge to the native Andeans’ way of life. The rich Quechua language showed that the Incas had deep knowledge of anatomy and medicinal plants.

The Jesuits at missions in Cusco, a city in the Peruvian Andes at about 3400 meters altitude, noticed that after being exposed to dampness and cold the native people drank a powdered bark from the cinchona tree, dissolved in hot water, to stop shivering. Salumbrino, passionate to help the poor in Lima, on the coastal plain, decided to test the bark on a few patients who were suffering from tertian and quartan fever (two types of malaria that cause fever periodically in 48 hour and 72-hour intervals, respectively).

Salumbrino’s reasoning was a typical example of applying a basic principle to a different context: if the bitter bark stops people in the high Andes from shivering from cold, it may also stop people in the lowlands shivering from fever. As modern science now knows, the active component in the tree bark is quinine, which relaxes muscles and calms the nervous impulse that causes shivering. What Salumbrino could not have predicted, is that the bark not only stopped the shivering, but actually also cured the fever. Double luck.

While Salumbrino devoted his life to supplying quinine to Jesuit missions across the globe, he worked with local people to plant more trees, taught them how to remove the bark in vertical strips, so as not to kill the trees, processed the bark and established local and international distribution lines, one could rightly say that he laid the foundation for the quinine pharmaceutical industry. But it took some other events to have the drug recognised in Europe.

Despite the growing interest in natural history, including botany, the medical profession in 17th century Europe was still deeply conservative, with advances being further hindered by religious frictions between Catholics and Protestants. In England, Protestant physicians and pharmacists, all member of the Royal Society, openly criticised the effectiveness of what had become known as the “Jesuit powder”. They used all possible means, including the printing press, to stop its growing reputation. Yet popular demand remained high; it was hard to beat the news that the bark had successfully cured England’s King Charles II, the King of France, Louis XIV, and other royals who all praised its virtues.

Travelers coming from Rome or Belgium, by then the unofficial northern European centre of the Jesuit order, would still be wary of hand carrying or openly selling the bark to the people who needed it in southern England, because of the drug’s Catholic associations. As is often the case when people are desperate and supply cannot keep up with the demand, unscrupulous merchants soon began to adulterate pure quinine with other bitter-tasting barks.

While mainland Europe had a steady supply of Peruvian bark, larger supplies initially arrived in England mainly through pirates who seized Spanish vessels. It was only by the mid-18th century that commercial quantities of bark were shipped from Latin America to Europe. The drug industry flourished while people remained ignorant for centuries of how the disease was contracted. It was only in 1897 that Ronald Ross discovered that malaria parasites were actually transmitted by mosquitos.

While malaria is still prevalent in all tropical countries, few people now know that Europe got rid of malaria only in 1978 after swamps were drained, health infrastructure was greatly improved, and mosquitos were controlled.

Great breakthroughs often happen after people are exposed to ideas from elsewhere and when new scientific insights are gained. While this is true for humankind, most smallholder farmers in developing countries have limited opportunities to learn from their peers across borders, or from scientists. By merging scientific knowledge with local knowledge and presenting a wide range of practical local solutions, the videos hosted on the Access Agriculture video platform aim to overcome these challenges. The videos create opportunities for farmers to learn about the transmission of plant diseases through insect vectors and other topics on which farmers lack knowledge.

Credits

Photo of botanical drawing of quinine tree: copyright Biodiversity Heritage Library

Further reading

Fiammetta Rocco. 2003. Quinine – Malaria and the quest for a cure that changed the world. New York: Harper Perennial, pp. 384

Piperaki, E. T. and Daikos, G. L. 2016. Malaria in Europe: emerging threat or minor nuisance? Clinical Microbiology and Infection, 22:6, pp. 487-493.

Related blogs

Eating bark

Principles matter

Turtles vs snails

Inspiring platforms

Access Agriculture: hosts over 220 training videos in over 90 languages on a diversity of crops and livestock, sustainable soil and water management, basic food processing, etc. Each video describes underlying principles, as such encouraging people to experiment with new ideas.

EcoAgtube: a social media video platform where anyone from across the globe can upload their own videos related to natural farming and circular economy.

 

Malaria een halt toeroepen in Europa

Paul Van Mele, 15 augustus 2021

Historische doorbraken zijn vaak tot stand gekomen door ideeën van elders toe te passen. Dat drong weer eens tot me door toen ik het inspirerende boek Quinine – Malaria and the quest for a cure that changed the world van Fiammetta Rocco las. Zonder de koppigheid en het doorzettingsvermogen van een jezuïeten priester in de 17e eeuw zou de bevolking van Europa nog verder gedecimeerd zijn door malaria, waarvan nu alleen bekend is dat het een tropische ziekte is, bovenop de verwoestende pest of zwarte dood, die in die tijd aan minstens 4 miljoen mensen het leven kostte.

Terwijl de koningen van Spanje, Portugal, Frankrijk, Engeland en Nederland zeeslagen uitvochten om de controle over koloniĂ«n te krijgen of te behouden, was moeraskoorts aan de orde van de dag in vele delen van Europa met tijdelijke moerasgebieden. In ItaliĂ« werd de ziekte mal’aria genoemd, een verkorte vorm van mala aria of slechte lucht, omdat men dacht dat de ziekte werd veroorzaakt door het inademen van de ongezonde dampen van moerassen.

De medische wetenschap had sinds de Griekse oudheid nauwelijks vooruitgang geboekt. Koorts werd beschouwd als een ziekte, niet als een symptoom, veroorzaakt door een verstoring van het evenwicht van de vier humusstoffen of basiselementen waaruit het menselijk lichaam zou bestaan: bloed, gele gal, zwarte gal en slijm. Van een patiĂ«nt met koorts werd gezegd dat hij leed aan een gisting van het bloed ten gevolge van een teveel aan gal. Omdat gistend bloed zich gedroeg als kokende melk, waarbij een dik schuim ontstond dat moest worden verwijderd voordat de patiĂ«nt kon herstellen, bestond de voorkeursbehandeling voor koorts uit aderlaten of zuiveren met laxeermiddelen, of beide. Het “geneesmiddel” was vaak erger dan de kwaal.

Lange tijd werd de vooruitgang in de medische wetenschap sterk beĂŻnvloed door de godsdienst. Volgens de filosofie van hun Spaanse stichter, Ignatius van Loyola, mochten de jezuĂŻeten geen artsen worden, maar dienden ze zich te richten op de ziel van de mensen. Toch hadden velen een grote belangstelling voor de menselijke gezondheid, bestudeerden zij de anatomie en speelden zij een belangrijke rol bij het oprichten van apotheken over de hele wereld in de 17e eeuw. Sommigen van hen hebben zelfs de koers van de geneeskunde veranderd.

Broeder Augustinus Salumbrino maakte er, net als veel van de jonge jezuĂŻeten die in Peru waren gestationeerd, een prioriteit van om Quechua te leren en sommigen hadden een grote belangstelling in de lokale kennis en de leefwijze van de inheemse bevolking in het Andes gebergte. De rijke Quechua taal toonde aan dat de Inca’s een diepgaande kennis hadden van anatomie en geneeskrachtige planten.

De jezuïetenmissie in Cusco, een stad in de Peruaanse Andes op ongeveer 3400 meter hoogte, merkten dat de inheemse bevolking na blootstelling aan vocht en kou een poedervormige bast van de kinaboom dronk, opgelost in heet water, om het rillen te stoppen. Salumbrino, gepassioneerd om de armen in Lima, de hoofdstad gelegen aan de kust, te helpen, besloot de schors te testen op enkele patiënten die leden aan tertiaire en quartaire koorts (twee soorten malaria die periodiek koorts veroorzaken met een interval van respectievelijk 48 uur en 72 uur).

Salumbrino’s redenering was een typisch voorbeeld van het toepassen van een basisprincipe op een andere context: als de bittere schors voorkomt dat mensen in de hoge Andes rillen van de kou, kan het ook voorkomen dat mensen in het laagland rillen van de koorts. Zoals de moderne wetenschap nu weet, is het actieve bestanddeel in de boomschors kinine, dat de spieren ontspant en de zenuwimpuls kalmeert die rillingen veroorzaakt. Wat Salumbrino niet had kunnen voorspellen, is dat de schors niet alleen het rillen tegenhield, maar ook de koorts genas. Dubbel geluk.

Terwijl Salumbrino zijn leven wijdde aan het leveren van kinine aan jezuĂŻetenmissies over de hele wereld, werkte hij samen met de plaatselijke bevolking om meer bomen te planten, leerde hij hen hoe ze de schors in verticale stroken konden verwijderen om de bomen niet te doden, verwerkte hij de schors en legde hij lokale en internationale distributielijnen aan. Men zou met recht kunnen zeggen dat hij de basis legde voor de farmaceutische industrie van kinine. Maar er waren nog andere gebeurtenissen nodig om het geneesmiddel in Europa te doen erkennen.

Ondanks de groeiende belangstelling voor natuurlijke historie, met inbegrip van plantkunde, was het medische beroep in het 17e eeuwse Europa nog steeds zeer conservatief, waarbij vooruitgang verder werd belemmerd door religieuze wrijvingen tussen katholieken en protestanten. In Engeland bekritiseerden protestantse artsen en apothekers, allen lid van de Royal Society, openlijk de doeltreffendheid van wat bekend was geworden als het “jezuĂŻetenpoeder”. Zij gebruikten alle mogelijke middelen, waaronder de drukpers, om een halt toe te roepen aan de groeiende reputatie ervan. Toch bleef de vraag groot; het nieuws dat de bast met succes de Engelse koning Charles II, de koning van Frankrijk, Lodewijk XIV, en andere vorsten had genezen, was moeilijk te verslaan en prees de deugden ervan.

Reizigers die uit Rome of België kwamen, tegen die tijd het officieuze Noord-Europese centrum van de jezuïetenorde, waren nog steeds op hun hoede voor het vervoeren of openlijk verkopen van de bast aan de mensen die het nodig hadden in Zuid-Engeland, vanwege de katholieke associaties van het geneesmiddel. Zoals vaak het geval is wanneer mensen wanhopig zijn en het aanbod de vraag niet kan bijhouden, begonnen handelaars zonder scrupules al snel zuivere kinine te versnijden met andere bittere schorsoorten.

Terwijl het vasteland van Europa over een gestage aanvoer van Peruviaanse bast beschikte, arriveerden in Engeland aanvankelijk grotere voorraden voornamelijk via piraten die Spaanse schepen in beslag namen. Pas tegen het midden van de 18e eeuw werden commerciële hoeveelheden schors van Latijns-Amerika naar Europa verscheept. De geneesmiddelenindustrie floreerde terwijl de mensen eeuwenlang onwetend bleven over de wijze waarop de ziekte werd opgelopen. Pas in 1897 ontdekte Ronald Ross dat malaria-parasieten in feite door muggen werden overgebracht.

Hoewel malaria nog steeds in alle tropische landen voorkomt, weten maar weinig mensen nu dat Europa pas in 1978 van malaria af is gekomen nadat moerassen waren drooggelegd, de gezondheidsinfrastructuur sterk was verbeterd en muggen onder controle waren gebracht.

Grote doorbraken vinden vaak plaats nadat mensen zijn blootgesteld aan ideeĂ«n van elders en wanneer nieuwe wetenschappelijke inzichten zijn verkregen. Hoewel dit waar is voor de mensheid, hebben de meeste kleine boeren in ontwikkelingslanden beperkte mogelijkheden om te leren van hun collega’s over de grenzen heen, of van wetenschappers. Door wetenschappelijke kennis te combineren met lokale kennis en door een breed scala aan praktische lokale oplossingen te presenteren, proberen de video’s op het Access Agriculture videoplatform deze uitdagingen te overwinnen. De video’s bieden boeren de kans om meer te leren over de overdracht van plantenziekten door insectenvectoren en andere onderwerpen waarover boeren onvoldoende kennis hebben.

Credit

Photo of botanical drawing of quinine tree: copyright Biodiversity Heritage Library

Meer lezen

Fiammetta Rocco. 2003. Quinine – Malaria and the quest for a cure that changed the world. New York: Harper Perennial, pp. 384

Piperaki, E. T. and Daikos, G. L. 2016. Malaria in Europe: emerging threat or minor nuisance? Clinical Microbiology and Infection, 22:6, pp. 487-493.

Gerelateerde blogs van Agro-Insight

Eating bark

Principles matter

Turtles vs snails

Inspirerende video platformen

Access Agriculture: bevat meer dan 220 trainingsvideo’s in meer dan 90 talen over een verscheidenheid aan gewassen en vee, duurzaam bodem- en waterbeheer, basisvoedselverwerking, enz. Elke video beschrijft de onderliggende principes en moedigt mensen zo aan om met nieuwe ideeĂ«n te experimenteren.

EcoAgtube: een nieuw social media platform waar iedereen van over de hele wereld zijn eigen video’s kan uploaden die gerelateerd zijn aan natuurlijke landbouw en circulaire economie.

Design by Olean webdesign