WHO WE ARE SERVICES RESOURCES




Most recent stories ›
AgroInsight RSS feed
Blog

Ignoring signs from nature January 23rd, 2022 by

Nederlandse versie hieronder

Ignoring signs from nature

An eye-opening book by Mark Kurlansky helps readers to reflect on current societal choices by diving into the history of a topic that may at first seem uninspiring, the cod.

For more than a thousand years Europeans have fished in remote waters, thousands of kilometres from their homeland. Conflicts between nations over fishing have an equally long and dynamic history. Until the last century, rules and regulations in the industry only aimed at securing and protecting trade (and therefore political power), never on protecting the carrying capacity of our natural system.

The North Atlantic Cod, which is a fish that lives on the bottom of the ocean, was typically caught with fishing lines, and overfishing was never at stake, or at least not until last century.

Already by the 13th century, merchants from northern Germany organised trade across Europe through their Hanseatic League. Gradually, they expanded fishing regulations in the northern waters of the Atlantic, from the Baltic Sea all the way to Iceland. Even as relations between nations shifted over the centuries, the Basques in northern Spain and southwest France were little bothered by these rules. They caught whales and cod, mainly for the Mediterranean market, while avoiding fishing grounds where other nations were active.

As early as the year 1000, the Basques had greatly expanded the international cod trade. While they had the advantage of being able to dry sea salt by evaporation, something countries further north were not able to do, they were also remarkable ship builders. Some 500 years before Columbus, the Basques were already fishing the world’s richest cod grounds along the coast of Canada, in the waters now called the Grand Banks. While other countries were keen to claim the discovery of new lands, the Basques were pragmatic traders and preferred to keep their fishing ground secret for as long as possible.

But when there are riches to harvest, secrets get out sooner or later. The 16th century gold rush to the southern part of the Americas was soon followed by the cod rush to the northern part, at first by Portugal and Spain, later also by the English, French, Dutch and Scandinavians. Access to salt to preserve fish for the trip home became a necessity as sailors explored fishing grounds across the Atlantic. (The wars fought over salt and its role in the fish and other trade are described in Kurlansky’s other inspiring book, Salt.)

In an address to the International Fisheries Exhibition in London in 1883, British scientific philosopher Thomas Henry Huxley used Darwin’s theory to convince the world that over-fishing was an unscientific and unreasonable fear. Nature would send signals as fish stocks dropped. The bountiful harvests in the northwest Atlantic gave a false impression that cod could never be extinguished, notwithstanding the observations of fishermen. This blind belief in the ability of nature to cope with human interference and the arrogant attitude to dismiss local knowledge would be reflected in Canadian government policy for the next hundred years.

While discoveries such as the telegraph allowed fishermen to learn about market prices and receive warnings about storms, fishing vessels and methods also started to change, enabling greater catches year after year.

In fact, by the 1890s, just ten years after Huxley gave his convincing speech to world leaders, fish stocks were already showing signs of depletion in the North Sea. People turned a blind eye. Instead of thinking about conservation, European fleets moved on to richer waters around Iceland. As traditional fishing with fish lines had been replaced by trawlers, nets that sweep the ocean floor entangled any fish it encountered with devastating effect on ocean biodiversity. Trawlers require more energy than the muscles of seafarers can provide, so the new ships were made possible by the introduction of the steam engine.

In Canada, the fishing grounds of the Grand Banks were at first still spared from these technological developments partly because Canadian fishermen stuck to their traditional fishing lines which required far less investment. And because the expense of using coal discouraged the European fleets from crossing the Atlantic. But it was just matters of years. Coal was soon replaced by diesel and industrial fishing boats began trawling for cod.

Capture of the Atlantic northwest cod stock in million tonnes

In the 1950s, the frozen fish stick dealt a final blow to the seemingly endless cod stocks. The breaded, tasteless fish sticks in cardboard boxes became an instant commercial success, making it “a pleasure for families to prepare, serve and eat” according to one of the adverts of that time. This change in consumption behaviour led to such a sharp increase in unsustainable fishing practices that the cod stock completely collapsed in the 1990s.

We are currently facing tremendous challenges such as climate change and loss of biodiversity, because of the way we produce and consume our food. How many more signs do we need from nature before we start to take proper decisions? Debate is all well and good, unless one side is simply wrong. Environmental arguments should not continue until human greed causes natural disaster.

Credit

Photo of cod: © Gilbert Van Ryckevorsel / WWF-Canada.

Time series for the collapse of the Atlantic northwest cod stock, capture in million tonnes. Based on FishStat database FAO. Copyright by Epipelagic under Creative Commons license CC BY-SA 3.0.

Further reading 

Mark Kurlansky. 1999. Cod. A Biography of the Fish that Changed the World. Vintage: ‎ Random House UK, 304 pp.

Related Agro-Insight blogs

A history worth its salt

Fishing changes

When the bees hit a brick wall

From Uniformity to Diversity

 

Signalen van de natuur negeren

Mark Kurlansky heeft een boek geschreven dat de lezer helpt na te denken over de huidige maatschappelijke keuzes, door in de geschiedenis te duiken van een onderwerp dat op het eerste gezicht misschien weinig inspirerend lijkt: de kabeljauw.

Al meer dan duizend jaar vissen Europeanen in afgelegen wateren, duizenden kilometers van hun vaderland. Conflicten tussen naties over de visserij hebben een even lange en dynamische geschiedenis. Tot in de vorige eeuw waren de regels en voorschriften in de sector uitsluitend gericht op het veiligstellen en beschermen van de handel (en dus van de politieke macht), nooit op het beschermen van de draagkracht van ons natuurlijk systeem.

De Noord-Atlantische kabeljauw, een vis die op de bodem van de oceaan leeft, werd meestal gevangen met vislijnen, en overbevissing was nooit aan de orde, althans niet tot in de vorige eeuw.

Reeds in de 13e eeuw organiseerden kooplieden uit Noord-Duitsland via hun Hanzesteden de handel in heel Europa. Geleidelijk aan breidden zij de visserijvoorschriften in de noordelijke wateren van de Atlantische Oceaan uit, van de Oostzee helemaal tot IJsland. Zelfs toen de betrekkingen tussen de naties in de loop der eeuwen veranderden, hadden de Basken in Noord-Spanje en Zuidwest-Frankrijk weinig last van deze regels. Zij vingen walvissen en kabeljauw, hoofdzakelijk voor de mediterrane markt, en vermeden visgronden waar andere naties actief waren.

Reeds in het jaar 1000 hadden de Basken de internationale kabeljauwhandel sterk uitgebreid. Terwijl zij het voordeel hadden dat zij zeezout konden drogen door verdamping, iets waartoe landen verder naar het noorden niet in staat waren, waren zij ook opmerkelijke scheepsbouwers. Ongeveer 500 jaar vóór Columbus visten de Basken reeds op ‘s werelds rijkste kabeljauwgronden langs de kust van Canada, in de wateren die nu de Grand Banks worden genoemd. Terwijl andere landen graag de ontdekking van nieuwe landen opeisten, waren de Basken pragmatische handelaars en hielden zij hun visgronden liever zo lang mogelijk geheim.

Maar als er rijkdommen te oogsten zijn, komen geheimen vroeg of laat aan het licht. De 16e-eeuwse goudkoorts naar het zuidelijke deel van Amerika werd al snel gevolgd door de kabeljauwkoorts naar het noordelijke deel, eerst door Portugal en Spanje, later ook door de Engelsen, Fransen, Nederlanders en Scandinaviërs. Zout om de vis te bewaren voor de thuisreis werd een noodzaak toen de zeelieden de visgronden aan de overzijde van de Atlantische Oceaan verkenden. (De oorlogen die om zout werden uitgevochten en de rol die zout speelde in de handel in vis en andere producten worden beschreven in Kurlansky’s andere inspirerende boek, Salt).

In een toespraak tot de Internationale Visserij Tentoonstelling in Londen in 1883, gebruikte de Britse wetenschappelijke filosoof Thomas Henry Huxley de theorie van Darwin om de wereld ervan te overtuigen dat overbevissing een onwetenschappelijke en onredelijke angst was. De natuur zou signalen afgeven als de visbestanden afnamen. De overvloedige oogsten in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan wekten de valse indruk dat de kabeljauw nooit zou kunnen uitsterven, niettegenstaande de waarnemingen van de vissers. Dit blinde geloof in het vermogen van de natuur om met menselijke verstoringen om te gaan en de arrogante houding om plaatselijke kennis terzijde te schuiven, zouden de volgende honderd jaar hun weerslag vinden in het Canadese regeringsbeleid.

In feite vertoonden de visbestanden in de Noordzee in de jaren 1890, slechts tien jaar nadat Huxley zijn overtuigende toespraak voor de wereldleiders had gehouden, reeds tekenen van uitputting. Iedereen kneep een oogje dicht. In plaats van na te denken over natuurbehoud, verplaatsten de Europese vloten zich naar rijkere wateren rond IJsland. De traditionele visvangst met vislijnen was inmiddels vervangen door boten met sleepnetten die de oceaanbodem schoonvegen en alle vis verstrikken die ze tegenkomen, met verwoestende gevolgen voor de biodiversiteit in de oceanen.

In Canada bleven de visgronden van de Grand Banks aanvankelijk nog gespaard van deze technologische ontwikkelingen, deels omdat de Canadese vissers vasthielden aan hun traditionele vislijnen die veel minder investeringen vergden. En omdat de kosten van het gebruik van steenkool de Europese vloten ervan weerhielden de Atlantische Oceaan over te steken. Maar het was slechts een kwestie van jaren. Steenkool werd al snel vervangen door diesel en industriële vissersboten begonnen met de sleepnetvisserij op kabeljauw.

Vangst van noordwest Atlantische kabeljauw in millioen ton

In de jaren 1950 deelde de bevroren visstick een laatste klap uit aan de schijnbaar eindeloze kabeljauwbestanden. De gepaneerde, smaakloze vissticks in kartonnen dozen werden een onmiddellijk commercieel succes, waardoor het “voor gezinnen een plezier werd om te bereiden, op te dienen en te eten” volgens een van de advertenties uit die tijd. Deze verandering in het consumptiegedrag leidde tot zo’n sterke toename van niet-duurzame visserijpraktijken dat het kabeljauwbestand in de jaren negentig volledig instortte.

Door de manier waarop wij ons voedsel produceren en consumeren, staan wij momenteel voor enorme uitdagingen, zoals de klimaatverandering en het verlies van biodiversiteit. Hoeveel signalen van de natuur hebben we nog nodig voordat we de juiste beslissingen gaan nemen? Debatteren is allemaal goed en wel, tenzij één partij het gewoon bij het verkeerde eind heeft. De milieudiscussie moet niet worden voortgezet tot de hebzucht van de mens een natuurramp veroorzaakt.

Experimenting with intercrops November 28th, 2021 by

Nederlandse versie hieronder

For thousands of years, farmers have been mixing crops in their fields to meet the diverse needs of their families and to reduce the risk of crop failure. But to know which crops combine well with each other is not an easy matter, and often requires some experimentation to find out what works best for you, as I found out this year in our home garden.

Three years ago, when we moved into our renovated house in Peer, Belgium, we established a raised garden bed from partially rotted woody material and plant debris topped with compost and soil. As this so-called hügelkultur is a great way to keep the soil fertile and moist, we figured this was a good way for us to grow plants without the need for watering them, especially as we are often away from home for several weeks to produce training videos with farmers.

As with many people, Covid has kept us grounded for the past two years. Without international travels we decided we should spend more time growing our own food.

On our 10 meters long, 2 meters wide and 1.5-meter-high bed, my wife Marcella has been growing a diversity of herbs, spices, vegetables and sweet maize. While we tried to anticipate which plants would prefer to grow where exactly on the bed (on the lower end or on top, on the south or north-facing side, in partial shade of the nearby goat willow or in full sunlight), this was clearly something that needed us to try out and observe as we went along.

Last winter, I decided to establish three new raised beds, each aligned north-south and 1.5 meters apart. On one bed I would grow goose berries, blue honeysuckle and red currant; the middle bed would be for my red and yellow raspberries and on the bed closest to the little forest, I would grow a few varieties of blackberries. Unlike with annual plants which you can put in a different location each season, deciding on where to plant which shrub and which variety took some careful thinking. One needs to take into account the plant’s architecture, how vigorous it grows, how it copes with strong winds and what level of shade it tolerates.

Having planted all my shrubs, I felt we could do a little more. Leaving the soil bare while the shrubs were still young did not seem like a good idea. I still had some strawberry plants that I wanted to give a new location. The fast-growing raspberries would soon crowd out my strawberries. And strawberries do not  thrive well in shade, so I decided to plant them on the first bed.

A few months later, in the spring, Marcella thought that her tomato seedlings that she had raised in the warmth of the house were ready for transplanting. Again, we brainstormed around the kitchen table where best we could plant them. “Tomato plants have deep roots and tomatoes need a lot of sun, so let us plant them in between our strawberry plants,” I suggested. To keep the mature tomato plants from shading out the newly planted berry shrubs, we planted them on the north side of the shrubs.

Friends and family said it would not work: growing tomatoes outdoors is asking for trouble, as the tomatoes would rot before they ripen. This may have been true with our traditional wet summers, but given the changing climate I figured it could work. After all, we didn’t have a choice as we don’t have a greenhouse.

One day, I was discussing with Bram Moeskops who manages the Organic Farm Knowledge platform for IFOAM Organics Europe. While he was giving me a virtual guided tour on their excellent platform, it was a real coincidence that he showed me one particular factsheet:

“On this factsheet,” Bram explained, “we show a new technology that we are trying to promote, namely tomato-strawberry intercropping. As the strawberries provide a living mulch, it avoids splashing rainwater to get on the tomato plants”. This was a great new insight. This added benefit hadn’t occurred to me even though

I knew that spores of various soil fungi are typically spread by splashing rain and cause tomato diseases.

Our tomato plants thrived, and surprised every visitor. After three years of extremely warm and dry summers, this year turned out to be the opposite. And in the end, months of high humidity also affected our plants. It was of some comfort to hear that all gardeners had faced the same problem, even those with greenhouses.

As our climate is changing, we will need to continue to experiment with cropping patterns. And the more we learn the better. Experimenting with permanent crops can take years, so it will be all the more important to share the results widely. Innovative platforms such as the Organic Farm Knowledge platform and the Access Agriculture video platform offers great ideas and needed scientific insights to help us make better decisions.

Related Agro-Insight blogs

Experiments with trees

Repurposing farm machinery

From Uniformity to Diversity

The rules and the players

Inspiring knowledge platforms

The Organic Farm Knowledge platform: https://organic-farmknowledge.org contains a wide range of tools and resources about organic agriculture in Europe.

Access Agriculture: https://www.accessagriculture.org is a specialised video platform with freely downloadable training videos on ecological farming with a focus on the Global South.

EcoAgtube: https://www.ecoagtube.org is the alternative to Youtube where anyone from across the globe can upload their own videos related to ecological farming and circular economy.

 

Experimenteren met mengteelten

Al duizenden jaren mengen boeren gewassen op hun akkers om te voorzien in de uiteenlopende behoeften van hun gezinnen en om het risico op mislukte oogsten te verkleinen. Maar weten welke gewassen goed met elkaar combineren is geen eenvoudige zaak en vereist vaak wat experimenteren om uit te zoeken wat voor jou het beste werkt, zoals ik dit jaar in onze eigen tuin ontdekte.

Drie jaar geleden, toen we verhuisden naar ons gerenoveerde huis in Peer, België, hebben we een verhoogd tuinbed aangelegd van gedeeltelijk verrot houtmateriaal en plantenresten, aangevuld met compost en aarde. Aangezien deze zogenaamde hügelbedden de grond vruchtbaar en vochtig houden, vonden we dit een goede manier om planten te kweken zonder dat we ze water hoefden te geven, vooral omdat we vaak enkele weken van huis zijn om trainingsvideo’s met boeren te maken.

Zoals bij veel mensen heeft Covid ons de afgelopen twee jaar met beide voeten op de grond gehouden. Zonder internationale reizen besloten we dat we meer tijd moesten besteden aan het verbouwen van ons eigen voedsel.

Op ons 10 meter lange, 2 meter brede en 1,5 meter hoge hügelbed, heeft mijn vrouw Marcella een verscheidenheid aan kruiden, specerijen, groenten en zoete maïs gekweekt. Hoewel we probeerden in te schatten welke planten waar precies op het bed het liefst zouden groeien (onderaan of bovenaan, op het zuiden of op het noorden, in de halfschaduw van de nabijgelegen boswilg of in het volle zonlicht), was dit duidelijk iets dat we moesten uitproberen en gaandeweg observeren.

Afgelopen winter besloot ik drie nieuwe verhoogde bedden aan te leggen, elk noord-zuid gericht en 1,5 meter uit elkaar. Op het ene bed zou ik kruisbessen, honingbes en rode bes telen; het middelste bed zou bestemd zijn voor mijn rode en gele frambozen en op het bed dat het dichtst bij het bosje lag, zou ik een paar bramensoorten telen. Anders dan bij eenjarige planten, die je elk seizoen op een andere plaats kunt zetten, moet je goed nadenken over waar je welke struik en welk ras wilt planten. Je moet rekening houden met de architectuur van de plant, hoe sterk hij groeit, hoe hij tegen sterke wind kan en hoeveel schaduw hij verdraagt.

Nadat ik al mijn struiken had geplant, vond ik dat we nog wel wat meer konden doen. De grond kaal laten terwijl de struiken nog jong waren, leek me geen goed idee. Ik had nog een paar aardbeiplanten die ik een nieuwe plek wilde geven. De snelgroeiende frambozen zouden mijn aardbeien snel verdringen. En aardbeien gedijen niet goed in de schaduw, dus besloot ik ze op het eerste bed te planten.

In de lente, brainstormden we rond de keukentafel waar we het beste onze tomatenzaailingen konden uitplanten. “Tomatenplanten hebben diepe wortels en tomaten hebben veel zon nodig, dus laten we ze tussen onze aardbeienplanten planten,” stelde ik voor. Om te voorkomen dat de volgroeide tomatenplanten de pas geplante bessenstruiken in de schaduw zouden stellen, plantten we ze aan de noordkant van de struiken.

Vrienden en familie zeiden dat dit niet zou werken: tomaten in de openlucht kweken is vragen om problemen, omdat de tomaten zouden rotten voordat ze rijp waren. Dat was misschien waar met onze traditionele natte zomers, maar gezien het veranderende klimaat dacht ik dat het zou kunnen werken. We hadden tenslotte geen keus, want we hebben geen serre.

Op een dag was ik in gesprek met Bram Moeskops, die het platform voor biologische landbouwkennis van IFOAM Organics Europe beheert. Terwijl hij me een virtuele rondleiding gaf op hun uitstekende platform, was het een echt toeval dat hij me één specifieke factsheet liet zien:

“Op deze factsheet,” legde Bram uit, “laten we een nieuwe technologie zien die we proberen te promoten, namelijk de tomaat-aardbei mengteelt. Omdat de aardbeien een levende mulch vormen, wordt vermeden dat opspattend regenwater op de tomatenplanten terechtkomt”. Dit was een geweldig nieuw inzicht. Dit extra voordeel was niet bij me opgekomen, hoewel ik wist dat sporen van verschillende bodemschimmels gewoonlijk worden verspreid door opspattend regenwater en alzo tomatenziektes veroorzaken.

Onze tomatenplanten floreerden, en verrasten iedere bezoeker. Na drie jaren van extreem warme en droge zomers, was dit jaar het tegenovergestelde. En jammer genoeg hebben de maanden van hoge vochtigheid uiteindelijk ook onze planten aangetast. Het was een troost te horen dat alle tuiniers met hetzelfde probleem te kampen hadden gehad, zelfs die met serres.

Aangezien ons klimaat verandert, zullen we moeten blijven experimenteren met teeltpatronen. En hoe meer we leren, hoe beter. Experimenteren met blijvende teelten kan jaren duren, dus is het des te belangrijker om de resultaten op grote schaal te delen. Innovatieve platforms zoals het platform Organic Farm Knowledge en het videoplatform Access Agriculture bieden goede ideeën en de nodige wetenschappelijke inzichten om ons te helpen betere beslissingen te nemen.

Inspirerende kennisplatformen

The Organic Farm Knowledge platform: https://organic-farmknowledge.org met informatie over biolandbouw in Europe.

Access Agriculture: https://www.accessagriculture.org  is een gespecialiseerd videoplatform met gratis te downloaden opleidingsvideo’s over ecologische landbouw met een focus op het Zuiden.

A market to nurture local food culture October 3rd, 2021 by

Nederlandse versie hieronder

Last week, I wrote about what can happen when local authorities support local food producers. La Tablée was a one-off event to inform and build a relationship with urban consumers, but there can also be more formal ways of supporting local producers.

Every city in Europe and many other places has its fresh market, with food being brought in by traders and occasionally some farmers. The food being sold can come from anywhere. Not so, in Rennes. This historic capital of Brittany in France has taken a bold decision to promote local food as much as possible.

On Saturday mornings, people flood to the Marché des Lices, happily strolling in, on the many narrow cobblestone streets, like bees drawn to a field of flowers. My wife Marcella and I immediately realize that this is not like any other fresh market.

The diversity of produce is striking. We see market stalls with plenty of leafy vegetables and fresh herbs; others sell homemade pear and apple juice, along with cider, a traditional fermented apple beverage that is currently enjoying an amazing revival. For decades, cider had lost popularity because it could not compete against the strong marketing campaigns of the wine and beer industry. Now, this tart, fruity drink is served in every bar and restaurant. Here, in the Rennes market, a bubbly cider that will pop the cork out of the bottle is presented with a certain prestige, as if it were champagne.

There is a great atmosphere and many people have a quick chat with the person selling the produce, whether it is cheese, a diversity of fish and other seafood, freshly chopped meat, mushrooms and other fungi, walnuts, fruit or vegetables.

One stand catches my eye. I take a closer look at one of the breads on display and ask the man what it is made of. “Buckwheat,” he says, “this is grown locally and contains no gluten in case you are allergic. You can keep the bread for days without it going stale.” We buy a chunk of this dark bread, which he wraps in paper. Despite the word “wheat” in its name, buckwheat is not a cereal but it is a seed. Buckwheat is related to rhubarb, and it is rich in fibre and proteins.

Buckwheat grows on light, well-drained soils, and has also been a traditional crop where we live in Limburg, in northeast Belgium, but I had never seen bread made from it. On special occasions and in a few restaurants one can eat buckwheat pancakes in Belgium, but in this part of France, it is on every single menu, presented as a local specialty. During the week that we spent in Rennes we discover various restaurants that sell uniquely buckwheat pancakes, often served with a jar of cider.

Before we leave the market, we pass through a narrow street lined on both sides with food trucks. All of them serve buckwheat pancakes. There is the option to add a sausage, with mustard or another sauce, rolled up and eaten like a hot dog. It strikes us that the least flashy food truck has the longest cue. It is the only one that serves galettes made from organic buckwheat!

Later on, I learn that during the Covid crisis local producers were being pushed out from the market by middlemen and that the Rennes city council committed to changes after Olivier Marie, a respected Breton culinary journalist, made a case to boost the presence of local farmers and artisans and curb unethical merchants!

Because farmers can sell so much of their produce at this weekly market, it seems to give them enough added income to stay in farming.

Local authorities can stimulate local food production and local food processing by creating a favourable market environment. Overly rigid food regulations, as we have in Belgium, do not leave any space for such initiatives that allow local food culture to flourish. It is time we take a better look across our borders and learn from inspiring examples across the globe.

Related Agro-Insight blogs

La Tablée

The baker farmers

Better food for better farming

Marketing something nice

Damaging the soil and our health with chemical reductionism

The juice mobile

Formerly known as food

Forgotten vegetables

Not sold in stores

An exit strategy

 

Een markt om de lokale voedselcultuur te stimuleren

Vorige week schreef ik over wat er kan gebeuren als lokale overheden lokale voedselproducenten ondersteunen. La Tablée was een eenmalig evenement om de stedelijke consument te informeren en een relatie tussen hem en de boeren uit de streek op te bouwen, maar er kunnen ook formelere manieren zijn om lokale producenten te ondersteunen.

Elke stad in Europa heeft hun vers-markt, waar voedsel wordt aangevoerd door handelaars en af en toe enkele boeren. Het verkochte voedsel kan overal vandaan komen. Niet zo in Rennes. Deze historische hoofdstad van Bretagne in Frankrijk heeft een moedig besluit genomen om lokale levensmiddelen zoveel mogelijk te promoten.

Op zaterdagochtend stromen de mensen naar de Marché des Lices, blij slenterend door de vele smalle geplaveide straatjes, als bijen aangetrokken door een veld vol bloemen. Mijn vrouw Marcella en ik beseffen onmiddellijk dat dit geen gewone vers-markt is.

De verscheidenheid aan producten is opvallend. We zien marktkraampjes met veel bladgroenten en verse kruiden; anderen verkopen zelfgemaakt peren- en appelsap, samen met cider, een traditionele gefermenteerde appeldrank die momenteel een verbazingwekkende revival beleeft. Decennialang had cider aan populariteit ingeboet omdat het niet kon opboksen tegen de sterke marketingcampagnes van de wijn- en bierindustrie. Nu wordt deze zure, fruitige drank in elke bar en elk restaurant geserveerd. Hier, op de markt van Rennes, wordt een bruisende cider die de kurk uit de fles laat springen, gepresenteerd met een zeker prestige, als ware het champagne.

Er heerst een gezellige sfeer en veel mensen maken snel een praatje met degene die de producten verkoopt, of het nu gaat om kaas, diverse soorten vis en andere zeevruchten, vers gehakt vlees, paddenstoelen en andere zwammen, walnoten, fruit of groenten.

Eén kraam valt me op. Ik bekijk een van de uitgestalde broden van dichtbij en vraag de man waar het van gemaakt is. “Boekweit”, zegt hij, “dit wordt lokaal verbouwd en bevat geen gluten voor het geval je allergisch bent. Je kunt het brood dagenlang bewaren zonder dat het oudbakken wordt.” We kopen een brok van dit donkere brood, dat hij in papier wikkelt. Boekweit is geen graansoort maar een zaad. Boekweit is verwant aan rabarber, en het is rijk aan vezels en eiwitten.

Boekweit groeit op lichte, goed gedraineerde grond, en is ook een traditioneel gewas waar wij wonen in Limburg, in het noordoosten van België, maar ik had er nog nooit brood van zien maken. In België kan men bij speciale gelegenheden en in enkele restaurants boekweitpannenkoeken eten, maar in dit deel van Frankrijk staat het op elke menukaart, gepresenteerd als een plaatselijke specialiteit. Tijdens de week die we in Rennes doorbrachten, ontdekken we verschillende restaurants die uitsluitend boekweitpannenkoeken verkopen, vaak geserveerd met een kruik cider.

Voordat we de markt verlaten, komen we door een smal straatje dat aan beide kanten is afgezet met foodtrucks. Ze serveren allemaal boekweitpannenkoeken. Er kan een worstje bij, met mosterd of een andere saus, opgerold en gegeten als een hot dog. Het valt ons op dat de minst flitsende foodtruck de langste rij wachtenden heeft. Het is de enige die galettes van biologische boekweit serveert!

Later hoor ik dat tijdens de Covid-crisis lokale producenten door tussenhandelaren van de markt werden verdrongen en dat het stadsbestuur van Rennes veranderingen heeft toegezegd nadat Olivier Marie, een gerespecteerd Bretons culinair journalist, een pleidooi had gehouden om de aanwezigheid van lokale boeren en ambachtslieden te stimuleren en onethische handelaren aan banden te leggen!

Omdat de boeren op deze wekelijkse markt zoveel van hun producten kunnen verkopen, lijkt het erop dat dit hen genoeg extra inkomsten oplevert om in de landbouw te blijven.

Lokale overheden kunnen de lokale voedselproductie en lokale voedselverwerking stimuleren door een gunstig marktklimaat te scheppen. Een al te rigide voedselreglementering, zoals we die in België hebben, laat geen ruimte voor dergelijke initiatieven die de lokale voedselcultuur tot bloei laten komen. Het is tijd dat we eens wat meer voorbij onze grenzen kijken en leren van inspirerende voorbeelden over de hele wereld.

La Tablée September 26th, 2021 by

Nederlandse versie hieronder

The choice to eat healthy, organic food cannot be left to consumers alone. While organising farm visits to inform and build trust among consumers is important, too often such initiatives are left to individual farmers. But when this is coordinated at a higher level with multiple stakeholders, including local authorities, an amazing dynamism can be created, as I recently learned during a visit to France.

With my wife Marcella and colleagues from Access Agriculture, we decided to stay a few days longer in Rennes, after we attended the Organic World Congress in September 2021. Strolling through the historic city centre towards the old church of Saint George, we are pleasantly surprised to discover La Tablée (Table Guests), a festive open-air event on the grounds around the ruins where people are invited to taste local products laid out on long lines of picnic tables.

The Tablée and various other events we attended were all organised by the collegial group created by those involved from the initial application of Rennes city to host the Organic World Congress. They called their group ‘Voyage to Organic Lands’.

After some friendly volunteers explained the concept, we took a seat and started to taste some of the apple juices, which are all delicious and remarkably distinct. Each bottle has a name printed on the bottle screw cap (Arthur, Lancelot, Merlin, Gauvain, Vivianne, Perceval and Excalibur). Before France was unified in 843 AD, Britain (la Grande Bretagne) and Brittany (la Petite Bretagne) had close ties and historians increasingly believe that the legend of the hero king Arthur and his brave knights have their roots in France, in the forests near Rennes. Perhaps French apple juice or cider was served at the round table.

When I heard someone speaking about apples over the loudspeakers, I realized that there was a live radio show taking place on one of the corners. Radio Rennes was interviewing the organic apple grower, Arnaud Lebrun. In full honesty, Arnaud explained how he started his career as a salesman for a pesticide company.

“After more than a decade, I began to see all the damage this was doing to the environment, and I could no longer find peace with myself. I decided to quit my job and make a 180-degree shift. My wife and I bought a neglected apple orchard with trees that were already 40 years old and we converted it into an organic apple orchard. We had to learn everything,” Arnaud explains live on air, “I did not even know how to drive a tractor.”

In the shade of an old oak tree, interviews went on all day long with local farmers and food producers. While we only stayed on for an hour or so, I could still hear Arnaud’s wife profess: “our customers truly appreciate all the products we make from our apples. What gives me the most satisfaction is to see the smiles on people’s faces.”

Brittany has the richest diversity of apple varieties in the country and a long tradition of producing cider and pomée, a thick sweet to spread on bread. Preparing the pomée is a community event that celebrates harvest, as the women clean the apples while men take turns all night long stirring the thickening pomade in a huge copper pot over a fire.

Another remarkable traditional product on the picnic tables is gwell, a creamy type of yoghurt made by fermenting raw milk from the pie noire, a breed of local cow that almost went extinct in the 1970s. Gwell is traditionally eaten with flat round buckwheat cakes (galette) or potatoes, and is an excellent ingredient for desserts.

As we are having a great culinary experience, Lisa and Olivier, the sympathetic local baker farmers whom we just got to know at the Organic World Congress, arrive and join our table. They brought with them some more fresh bread and other traditional goodies.

Small leaflets, each one with a little quiz, invite people to reflect on one particular aspect of making and eating food. This pleasant event brings consumers and producers closer to each other, and with the radio reaches a much wider audience.

For over 60 years, consumers have been influenced by marketeers to eat and drink over-processed foods, stripped of their nutrients. It will take time for people to switch from flavour-enhanced junk to real food. Through joint efforts between organic and biodynamic farmer associations, researchers, restaurant owners, as well as authorities from cities and regions, changing consumer behaviour towards healthy, natural food can become a continuous concerted effort.

As I learned that week in Rennes around the table, consumers and farmers need more than connections, they need to form communities, and a bit of fun can help.

Discover more

Voyage to Organic Lands / Voyage en Terre Bio: https://www.voyageenterrebio.org

Related Agro-Insight blogs

The baker farmers

Better food for better farming

Marketing something nice

Damaging the soil and our health with chemical reductionism

The juice mobile

Formerly known as food

Forgotten vegetables

Not sold in stores

An exit strategy

 

De tafelgasten

De keuze om gezond, biologisch voedsel te eten kan niet alleen aan de consument worden overgelaten. Hoewel het belangrijk is boerderijbezoeken te organiseren om de consumenten te informeren en vertrouwen te wekken, worden dergelijke initiatieven maar al te vaak overgelaten aan individuele landbouwers. Maar wanneer dit op een hoger niveau wordt gecoördineerd met meerdere belanghebbenden, waaronder lokale overheden, kan een verbazingwekkende dynamiek ontstaan, zoals ik onlangs leerde in Frankrijk.

Met mijn vrouw Marcella en collega’s van onze vzw Access Agriculture besloten we een paar dagen langer in Rennes te blijven, nadat we in september 2021 het Organic World Congress hadden bijgewoond. Wandelend door het historische stadscentrum in de richting van de oude kerk Saint George, worden we aangenaam verrast als we La Tablée (Tafelgasten) ontdekken, een feestelijk openluchtevenement op het terrein rond de ruïne waar mensen worden uitgenodigd om lokale producten te proeven die op lange rijen picknicktafels zijn neergezet.

Nadat enkele vriendelijke vrijwilligers het concept hadden uitgelegd, namen we plaats en begonnen we met het proeven van enkele van de appelsappen, die allemaal heerlijk en opmerkelijk verschillend zijn. Op elk flesje staat een naam gedrukt op de schroefdop (Arthur, Lancelot, Merlijn, Gauvain, Vivianne, Perceval en Excalibur). Voordat Frankrijk in het jaar 843 werd verenigd, hadden Groot-Brittannië (la Grande Bretagne) en Bretagne (la Petite Bretagne) nauwe banden en historici geloven steeds meer dat de legende van koning Arthur en zijn dappere ridders hun wortels hebben in Frankrijk, in de bossen bij Rennes. Misschien werd er aan de ronde tafel wel Frans appelsap of cider geserveerd.

Toen ik iemand over appels hoorde praten via de luidsprekers, realiseerde ik me dat er een live radioprogramma aan de gang was op het terrein. Radio Rennes interviewde de biologische appelteler, Arnaud Lebrun. In alle eerlijkheid legde Arnaud uit hoe hij zijn carrière was begonnen als verkoper bij een pesticidenbedrijf.

“Na meer dan tien jaar begon ik de schade aan het milieu in te zien, en ik kon geen vrede meer met mezelf vinden. Ik besloot mijn baan op te zeggen en een ommezwaai van 180 graden te maken. Mijn vrouw en ik kochten een verwaarloosde appelboomgaard met bomen die al 40 jaar oud waren en we bouwden die om tot een biologische appelboomgaard. We hebben alles moeten leren”, vertelt Arnaud live in de uitzending, “ik wist niet eens hoe ik een tractor moest besturen.”

In de schaduw van een oude eik gingen de interviews de hele dag door met lokale boeren en voedselproducenten. Hoewel we maar een uurtje aanhielden, kon ik Arnauds vrouw nog horen uitroepen: “onze klanten waarderen echt alle producten die we van onze appels maken. Wat mij de meeste voldoening geeft, is de glimlach op de gezichten van de mensen te zien.”

Bretagne heeft de rijkste verscheidenheid aan appelvariëteiten van het land en een lange traditie in de productie van cider en pomée, een dik snoepje om op brood te smeren. Het bereiden van de pomée is een gemeenschapsgebeuren dat de oogst viert, waarbij de vrouwen de appels schoonmaken terwijl de mannen om beurten de hele nacht lang de indikkende pomée in een enorme koperen pot boven een vuur roeren.

Een ander opmerkelijk traditioneel product op de picknicktafels is gwell, een romige soort yoghurt die wordt gemaakt door rauwe melk van de pie noire te laten gisten, een lokaal koeienras dat in de jaren zeventig bijna was uitgestorven. Gwell wordt traditioneel gegeten met platte ronde boekweitkoeken of aardappelen, en is een uitstekend ingrediënt voor desserts.

Terwijl we aan het genieten zijn van onze culinaire ervaring, komen Lisa en Olivier, de sympathieke lokale bakkers-boeren die we net hebben leren kennen op het Organic World Congress, aan onze tafel zitten. Ze hebben nog wat vers brood en andere traditionele lekkernijen bij zich.

Kleine folders, elk met een korte quiz, nodigen uit om na te denken over een bepaald aspect van het produceren en eten van voedsel. Dit gezellige evenement brengt consumenten en producenten dichter bij elkaar, en bereikt met de radio een veel breder publiek.

Al meer dan 60 jaar worden consumenten door marketeers beïnvloed om overbewerkte voedingsmiddelen te eten en te drinken, ontdaan van hun voedingsstoffen. Het zal tijd vergen voordat de mensen overschakelen van smaakversterkende junk naar echt voedsel. Door gezamenlijke inspanningen van verenigingen van biologische en biodynamische landbouwers, onderzoekers, restauranthouders en autoriteiten van steden en regio’s kan het veranderen van het consumentengedrag in de richting van gezond, natuurlijk voedsel een continue gezamenlijke inspanning worden.

Die week in Rennes aan de tafel heb ik geleerd dat consumenten en boeren meer nodig hebben dan verbindingen, ze moeten gemeenschappen vormen, en een beetje plezier kan daarbij helpen.

The baker farmers September 19th, 2021 by

Nederlandse versie hieronder

The Organic World Congress, only takes place once every three years, and this year it was in France, which was lucky for me, because I had the pleasure of getting to know Olivier Clisson and his Irish wife Lisa O’Beirne. On their inspiring biodynamic farm Le Chant du Blé (The song of wheat) on the outskirts of Rennes, they grow their own wheat and rye, various fruits, and they keep some farm animals. Neither Olivier nor Lisa come from a farming background, but they have both found their own passionate match between farming and preparing food.

Lisa always loved cooking, but her parents encouraged her to get a university degree, so she did. Lisa and Olivier chose to study together in Belfast, and quickly became young parents. In need of starting to earn money and not wanting to raise their son amidst the Northern Ireland conflict, Olivier quit his studies on Irish history and the couple decided to move to Rennes, the capital of Brittany in France. After Lisa pursued her Masters in English, she worked as a project manager in international business. It would take another 10 years before she was able to live out her dream: Lisa ran the first registered organic restaurant in France for over a decade.

During their first years in France, Olivier taught agriculture while learning hands-on farming techniques in his free time. He then obtained an Agricultural diploma in Biodynamic Farming (BPREA) with the hope of becoming a farmer himself. Until one day, he visited a traditional bakery. “When the baker opened the wood oven, the smell of fresh bread was so overwhelming that I realized that this is what I wanted to do. It was like a calling,” remembers Olivier.

At their farmhouse, Olivier opens a small room where he proudly shows his Astrié mill that he had tailor-made. “The only mills you find on the market are for large bakeries, and I needed something smaller to suit my needs. I can regulate the distance between the two granite mill stones and grind my flour nearly constantly at a very low speed all day. My grains never get hot, so they are not precooked before making my breads and the flour keeps its full qualities.”

The bran is fed to four pigs that happily roam outdoors in a large pen behind the farmhouse, so nothing is wasted.

Next, Olivier shows his small bakery room where he keeps his sourdough starter and the bread baskets woven from willow twigs. Lined with a cotton cloth, the dough is left to rise in the baskets for six hours, after which he transfers the dough to the wood-fired oven. It is 5 pm but when he opens the oven, located just outside the baking room, some of the heat from the morning baking has remained. Olivier and Lisa had this oven built by an old man, a master of this unique skill, so it may be one of the last ovens built this way. The wood-fired oven is a major part of their unique approach to prepare food with deep respect and knowledge.

“You have to be fully focused when making bread, as every day is different. The dough, the weather and also the wood we use to fuel the oven is different each day, so if you are tired and not fully mindful you will not make good bread that day,” confides Olivier. He bakes his bread between 260 and 270 degrees, but there is no thermometer. After he removes the ashes and swipes the oven floor with a wet cotton cloth attached to a wooden stick, he developed his own way to assess if the temperature is right.

“I sprinkle some flour in the oven and count to four. If it turns black before I finish counting, the oven is still too hot and I sweep a few more times with the moist cotton cloth, or else my bread will be burned. If it takes longer than four counts, the oven is not hot enough and my bread will not be fully cooked.” According to Olivier, preparing bread is the easy part, but getting to master your wood oven may take three months or more.

Spread over four days a week Olivier bakes about 250 kilograms of flour: mostly sourdough breads with a blend of 70% wheat and 30% rye, but also brioches and pies with a wide range of berries that they also grow on their farm. “All that is baked is pre-ordered and paid in advance as part of food baskets that are prepared with about ten other local organic farmers producing everything from cheese to beef to pancakes,” says Lisa. “Our bakery products are in such demand that whenever someone decides to stop their subscription and wants to get back in, they get on a waiting list and it may take two years before they can again order our bread.”

Now in their late forties, Olivier and Lisa have worked hard all their lives, but they are filled with joy and grateful to be able to do what they love to do, day after day.

Olivier also teaches a course on biodynamic farming at the BPREA National diploma in Biodynamic Farming and has so far hosted 20 baker apprentices. “Being able to pass on what we have learned to the younger generation is what has given us the most satisfaction,” the couple concludes.

Besides the enormous popularity of their bakery products, Olivier and Lisa are also driven by a rewarding quality of life and being able to constantly learn and explore. This inspiring couple shows how a family farm can produce honest food with respect for people and nature.

More info

Le Chant du Blé: www.leclicdeschamps.com/Le-Chant-du-Ble#.YUBI199cJPY

Watch the great video on EcoAgtube: https://www.ecoagtube.org/content/paysan-boulanger-la-ferme-autonome-du-champ-au-pain

or on youtube: https://www.youtube.com/watch?v=tVoVH3AwRgk

Credit

The last three photos are extracted from the video by Pierre Girard, #TousTerriens.

Related Agro-Insight blog stories

The next generation of farmers

The pleasure of bread

Egyptian corn

 

De bakkers boeren

Het Wereldcongres Biologische Landbouw vindt maar eens in de drie jaar plaats, en dit jaar was het in Frankrijk, wat een geluk voor mij was, want ik had het genoegen Olivier Clisson en zijn Ierse vrouw Lisa O’Beirne te leren kennen. Op hun inspirerende biodynamische boerderij Le Chant du Blé (Het lied van het graan) aan de rand van Rennes verbouwen ze hun eigen tarwe en rogge, diverse fruitsoorten, en houden ze enkele boerderijdieren. Olivier noch Lisa hebben een agrarische achtergrond, maar ze hebben beiden hun eigen passie gevonden tussen landbouw en het bereiden van voedsel.

Lisa hield altijd al van koken, maar haar ouders moedigden haar aan om een universitaire graad te behalen, dus deed ze dat. Lisa en Olivier kozen ervoor om samen in Belfast te gaan studeren, en werden al snel jonge ouders. Omdat ze geld moesten gaan verdienen en hun zoon niet wilden opvoeden temidden van het Noord-Ierse conflict, stopte Olivier met zijn studie Ierse geschiedenis en besloot het stel te verhuizen naar Rennes, de hoofdstad van Bretagne in Frankrijk. Het zou nog 10 jaar duren voordat ze haar droom kon verwezenlijken: Lisa runde het eerste geregistreerde biologische restaurant in Frankrijk.

Tijdens hun eerste jaren in Frankrijk gaf Olivier les in landbouw en leerde hij in zijn vrije tijd van boeren de praktijk. Daarna behaalde hij een landbouwdiploma in biodynamische landbouw (BPREA) met de hoop zelf boer te worden. Tot hij op een dag een traditionele bakkerij bezocht. “Toen de bakker de houtoven opende, was de geur van vers brood zo overweldigend dat ik besefte dat dit is wat ik wilde doen. Het was als een roeping,” herinnert Olivier zich.

In hun boerderij opent Olivier een kleine kamer waar hij trots zijn Astrié-molen laat zien die hij op maat heeft laten maken. “De enige molens die je op de markt vindt, zijn voor grote bakkerijen, en ik had iets kleiner nodig om aan mijn behoeften te voldoen. Ik kan de afstand tussen de twee granieten molenstenen regelen en maal mijn meel de hele dag bijna constant op een heel laag toerental. Mijn granen worden nooit heet, dus ze worden niet voorgekookt voor ik mijn broden maak en het meel behoudt zijn volle kwaliteiten.”

De zemelen worden gevoerd aan vier varkens die vrolijk buiten rondscharrelen in een groot hok achter de boerderij, zodat er niets wordt verspild.

Vervolgens laat Olivier zijn kleine bakkerijruimte zien, waar hij zijn zuurdesem en de van wilgentakken gevlochten broodmanden bewaart. Bekleed met een katoenen doek laat hij het deeg zes uur rijzen in de mandjes, waarna hij het deeg overbrengt naar de houtoven. Het is 5 uur ‘s middags, maar als hij de oven opent, die zich net buiten de bakkamer bevindt, is er nog wat van de warmte van het bakken van ‘s morgens over. Olivier en Lisa hebben deze oven laten bouwen door een oude man, een meester in deze unieke vaardigheid, dus het is misschien een van de laatste ovens die op deze manier gebouwd is. De houtoven is een belangrijk onderdeel van hun unieke aanpak om voedsel te bereiden met diep respect en kennis.

“Je moet volledig gefocust zijn als je brood maakt, want elke dag is anders. Het deeg, het weer en ook het hout dat we gebruiken om de oven te stoken is elke dag anders, dus als je moe bent en niet helemaal bij je verstand, zul je die dag geen goed brood bakken”, vertrouwt Olivier ons toe. Hij bakt zijn brood tussen 260 en 270 graden, maar er is geen thermometer. Nadat hij de as heeft verwijderd en de ovenvloer heeft schoongeveegd met een natte katoenen doek die aan een houten stok is bevestigd, heeft hij zijn eigen manier ontwikkeld om te beoordelen of de temperatuur goed is.

“Ik strooi wat bloem in de oven en tel tot vier. Als het zwart wordt voordat ik klaar ben met tellen, is de oven nog te heet en veeg ik nog een paar keer met de vochtige katoenen doek, anders verbrandt mijn brood. Duurt het langer dan vier tellen, dan is de oven niet heet genoeg en is mijn brood niet helemaal gaar.” Volgens Olivier is het bereiden van brood het gemakkelijke deel, maar het onder de knie krijgen van je houtoven kan drie maanden of langer duren.

Verspreid over vier dagen per week bakt Olivier zo’n 250 kilo meel: meestal zuurdesembroden met een mix van 70% tarwe en 30% rogge, maar ook brioches en taarten met een breed scala aan bessen die ze ook op hun boerderij verbouwen. “Alles wat gebakken wordt, wordt vooraf besteld en betaald als onderdeel van voedselpakketten die worden samengesteld met een tiental andere lokale biologische boeren die alles produceren, van kaas tot rundvlees tot pannenkoeken,” zegt Lisa. “Er is zoveel vraag naar onze bakkerijproducten dat als iemand besluit te stoppen met zijn abonnement en weer mee wil doen, ze op een wachtlijst komen te staan en het twee jaar kan duren voordat ze ons brood weer kunnen bestellen.”

Nu ze eind veertig zijn, hebben Olivier en Lisa hun hele leven hard gewerkt, maar ze zijn vervuld van vreugde en dankbaar dat ze kunnen doen wat ze het liefste doen, elke dag weer.

Olivier geeft ondertussen ook een cursus over biologisch-dynamische landbouw aan het National diploma in Biodynamic Farming (BPREA) en heeft tot nu toe 20 bakkerstagiairs ontvangen. “In staat zijn om wat we hebben geleerd door te geven aan de jongere generatie is wat ons de meeste voldoening heeft gegeven,” concludeert het echtpaar.

Naast de enorme populariteit van hun bakkerijproducten, worden Olivier en Lisa ook gedreven door een lonende levenskwaliteit en de mogelijkheid om voortdurend te leren en te ontdekken. Dit inspirerende koppel laat zien hoe een familieboerderij eerlijk voedsel kan produceren met respect voor mens en natuur.

Bekijk hun video op: www.ecoagtube.org/content/paysan-boulanger-la-ferme-autonome-du-champ-au-pain

Credit

The laatste 3 fotos komen uit de video by Pierre Girard, #TousTerriens.

Design by Olean webdesign