WHO WE ARE SERVICES RESOURCES




Most recent stories ›
AgroInsight RSS feed
Blog

The cherry on the pie July 2nd, 2023 by

Nederlandse versie hieronder

Conserving traditional varieties for future generations is worthwhile, yet challenging, especially when it comes to fruit trees, as my wife Marcella and I learned on a recent visit to the castle of Alden Biezen, in Belgium, where for the 20th year a special ‚ÄúCherry‚ÄĚ event was organized.

On the inner court of the 16th-century castle, in the municipality of Bilzen in the province of Limburg, Belgium, various local organizations had installed information booths, on bee-keeping, the juice mobile and traditional fruit varieties.

Belgium wouldn’t be Belgium if there weren’t also stands where you could taste cherry beer and local delicacies, such as thick pancakes stuffed with cherries. Information boards along the pathway offered interesting stories, testimonials and in-depth knowledge of late and retired cherry farmers.

As the temperature that Sunday rose to 31 degrees Celsius, we were happy that the organisers had installed a temporary exhibition in one of the castle halls. It was amazing to see so many cherry varieties on display, from pale yellow to deep red and almost black. We also learned that the cherry stems, which we normally discard on the compost pile, have anti-inflammatory and other medicinal properties, when dried and used in tea.

The real highlight was the guided tour by Paul Van Laer, coordinator at the non-profit association the National Orchard Foundation (Nationale Boomgaardenstichting). On the sloping grounds of the castle, the association had planted several hectares of traditional varieties of cherry trees to conserve the genetic diversity as well as the knowledge to grow them. Already six years ago, we were so inspired by the work of the Foundation that we bought about 30 young trees of traditional apple, pear, plum and cherry varieties from them to plant at home in our pasture.

Standing on a typical ladder used to pick cherries, Paul passionately speaks to the visitors. With his life-long experience he can tell stories about every single variety. Encouraging citizens to plant traditional fruit tree varieties helps to ensure that the genetic diversity is conserved in as many different locations as possible. And it quickly dawns on us how important this strategy is.

Paul points to the field where tall-stemmed cherry trees were planted about 20 years ago. We are all shocked to see that most of the trees had died. ‚ÄúWhen you plant tall-stemmed varieties, you can normally harvest cherries for the next 70 years,‚ÄĚ Paul explains, ‚Äúbut with the disturbed climate that we are witnessing the past decade, many trees cannot survive. We used to have more than 80 cherry varieties, but we are really struggling to keep them alive.‚ÄĚ Heat stress, droughts, floods and new pests that have arrived with the changing climate (and without their natural enemies), such as the Asian fruit fly (Drosophilla suzukii), have made it so that current commercial farmers only grow cherries under highly controlled environments.

One of the visitors is curious to know whether, given the many challenges, it is still worthwhile to plant a cherry tree in your garden. ‚ÄúWhen you live away from commercial farm or orchards where lots of cherry trees are grown, there is less presence of the fruit fly. Also, if you only have a few fruit trees around your house, you can easily water them, if need be,‚ÄĚ says Paul. For the National Orchard Foundation, having people grow cherry trees back home may become increasingly important in the long run.

As cherry trees are affected by the disturbed climate, gardeners and smallholders who have space could plant a single tree. Not only it would contribute to conserve the genetic diversity, it will also give you some delicious cherries to put on your pie.

Related blogs

European deserts, coming soon

The juice mobile

Training trees

Ignoring signs from nature

When the bees hit a brick wall

A farm in the city

 

De kers op de taart

Het behoud van traditionele vari√ęteiten voor toekomstige generaties is de moeite waard, maar ook een uitdaging, vooral als het gaat om fruitbomen, zoals mijn vrouw Marcella en ik leerden tijdens een recent bezoek aan het kasteel van Alden Biezen, in Belgi√ę, waar voor het 20e jaar een speciaal “Kersen” evenement werd georganiseerd.

Op het binnenplein van het 16e-eeuwse kasteel, in de gemeente Bilzen in de provincie Limburg, Belgi√ę, hadden verschillende lokale organisaties informatiestands ingericht, waaronder √©√©n over bijenteelt, de sapmobiel en een stand over traditionele fruitsoorten.

Belgi√ę zou Belgi√ę niet zijn als er niet ook stands waren waar je kersenbier kon proeven en lokale lekkernijen, zoals dikke pannenkoeken gevuld met kersen. Informatieborden langs het pad boden interessante verhalen, getuigenissen en diepgaande kennis van overleden en gepensioneerde kersenboeren.

Omdat de temperatuur die zondag opliep tot 31 graden Celsius, waren we blij dat de organisatoren een tijdelijke tentoonstelling hadden ingericht in een van de kasteelzalen. Het was verbazingwekkend om zoveel kersensoorten te zien, van lichtgeel tot dieprood en bijna zwart. We leerden ook dat de kersenstengels, die we normaal gesproken op de composthoop gooien, ontstekingsremmende en andere geneeskrachtige eigenschappen hebben als ze gedroogd worden en in thee worden gebruikt.

Het echte hoogtepunt was de rondleiding door Paul Van Laer, co√∂rdinator van de Nationale Boomgaardenstichting. Op het glooiende terrein van het kasteel had de vereniging verschillende hectaren met traditionele vari√ęteiten van kersenbomen geplant om de genetische diversiteit en de kennis om ze te kweken te behouden. Al zes jaar geleden waren we zo ge√Įnspireerd door het werk van de Nationale Boomgaardenstichting dat we ongeveer 30 jonge bomen van traditionele appel-, peren-, pruimen- en kersenrassen van hen kochten om thuis in ons weiland te planten.

Staande op een typische ladder die gebruikt wordt om kersen te plukken, staat Paul de bezoekers hartstochtelijk te woord. Met zijn levenslange ervaring kan hij verhalen vertellen over elke vari√ęteit. Burgers aanmoedigen om traditionele fruitboomvari√ęteiten te planten helpt om de genetische diversiteit op zoveel mogelijk verschillende locaties te behouden. En het wordt ons al snel duidelijk hoe belangrijk deze strategie is.

Paul wijst naar het veld waar 20 jaar geleden hoogstam kersenbomen zijn geplant. We zijn allemaal geschokt als we zien dat de meeste bomen zijn doodgegaan. “Als je hoogstammige vari√ęteiten plant, kun je normaal gesproken de komende 70 jaar kersen oogsten,” legt Paul uit, “maar met het verstoorde klimaat van de afgelopen tien jaar kunnen veel bomen niet overleven. Vroeger hadden we meer dan 80 kersenvari√ęteiten, maar we hebben echt moeite om ze in leven te houden.” Hittestress, droogte, overstromingen en nieuwe plagen die met het veranderende klimaat zijn gekomen (en zonder hun natuurlijke vijanden), zoals de Aziatische fruitvlieg (Drosophilla suzukii), hebben ervoor gezorgd dat de huidige commerci√ęle boeren alleen kersen telen in zeer gecontroleerde omgevingen.

Een van de bezoekers is benieuwd of het, gezien de vele uitdagingen, nog steeds de moeite waard is om een kersenboom in je tuin te planten. “Als je niet in de buurt woont van commerci√ęle boerderijen of boomgaarden waar veel kersenbomen worden gekweekt, is er minder aanwezigheid van de fruitvlieg. Als je maar een paar fruitbomen rond je huis hebt, kun je ze ook gemakkelijk water geven als dat nodig is,” zegt Paul. Voor de Nationale Boomgaarden Stichting kan het op de lange termijn steeds belangrijker worden om mensen thuis kersenbomen te laten kweken.

Omdat kersenbomen worden be√Įnvloed door het verstoorde klimaat, zouden tuiniers en kleine boeren die ruimte hebben een enkele boom kunnen planten. Het zou niet alleen bijdragen aan het behoud van de genetische diversiteit, maar het zal je ook heerlijke kersen opleveren voor op je taart.

Seeing the life in the soil June 25th, 2023 by

Nederlandse versie hieronder

Earlier, Jeff and I have written various blogs about the importance of soil organic matter and soil life to support  thriving, sustainable food production. Soils that have many living organisms hold more carbon and nutrients and can better absorb and retain rainwater, all of which are crucial in these times of a disturbed climate.

But measuring life in soils can be a time-consuming activity depending on what one wants to measure. While bacteria and fungi cannot be seen by the naked eye, ants, grubs and earth worms can.

In one of the training videos that we filmed in Bolivia last February, Eliseo Mamani from the PROINPA Foundation, a science and technology organization, shows us meticulously how you can measure the visible soil organisms with farmers. Using a standardised method to measure soil life is important if you want to evaluate how certain farming practices have an effect on the life of your soil.

One early morning, we pick up Ana Mamani and Rubén Chipana from their homes to take us to a field on the altiplano that has been cultivated for various years and that has not received any organic fertilizer. The farmers of Chiarumani, Patacamaya, about 100 kilometres south of La Paz, have learned through collaborative research that there are more living things in some parts of the field, and fewer in other parts, so they take samples from 3 parts of the field.

With a spade they remove a block of soil 20 centimetres wide, 20 centimetres long and 20 centimetres deep. They carefully put all this soil in a white bag and close it tightly, so that the living things do not escape, because the earthworms and other living things move quickly.

We then drive to another place, where they collect 3 more samples from a field that has received organic fertilizer and where organic vegetables are grown. All samples are put in blue bags, all nicely labelled.

Under the shade of a tree, some more farmers have gathered to start counting the living organisms. One handful of soil at a time, they empty each bag on a plastic tray. As they come across a living creature, they carefully pick it out and report it to Eliseo who takes notes: how many earthworms, how many ants, how many termites, how many beetles, how many spiders and how many grubs.

After an hour, the results are added up and samples compared: there are only many earthworms in the soil from the field that received organic fertilizer. The farmers discuss the findings in group and conclude: If your soil has few living things, you can bring your soil to life by adding animal manure or compost, by leaving crop residues in the field, and not burning them. You can also improve soil life by ploughing less, as ploughing disturbs bacteria, fungi, and animals that add fertility to the soil.

After returning back home from our trip to Bolivia, I am still reflecting on the many things we have learned from farmers and the organisations who do basic, yet relevant research with them, when Marcella points to the fields in front of our office. In March, at the onset of spring, moles are most active. It is striking: the field to the left that hasn’t been ploughed or fertilized for several years has many mole hills. The field on the right is intensively managed and does not have a single mole hill. Ploughing reduces organic matter, which is feed for earthworms. Herbicides and pesticides kill soil life, including earthworms. Also, liquid manure, which is used abundantly across Flanders and the Netherlands, can kill earthworms, especially when cows have received antibiotics and other drugs. Liquid manure may also contain heavy metals used for animal feed, such as zinc and copper.

Earthworms can be counted and used as soil health bioindicators. When done in collaborative research with farmer groups this helps farmers understand how certain farming practices affects the health of their soil and the long-term sustainability of their farm. However, if you don’t have time to go out with a spade to take soil samples, even above ground indicators such as mole hills can offer a quick alternative.

Acknowledgements

The visit to Bolivia to film various farmer-to-farmer training videos, including this one, was made possible with the generous support of the Collaborative Crop Research Program (CCRP) of the McKnight Foundation. Thanks to the Foundation for the Promotion and Research of Andean Products (PROINPA) who introduced us to the communities, and to Eliseo Mamani in particular who led the soil exercises with the farmers for this video.

Related videos

Seeing the life in the soil

Living windbreaks to protect the soil

Related Agro-Insight blogs

Soil science, different but right

Killing the soil with chemicals (and bringing it back to life)

Commercialising organic inputs

 

Het leven in de bodem zien

Jeff en ik hebben al eerder verschillende blogs geschreven over het belang van organische stof in de bodem en bodemleven om duurzame voedselproductie te ondersteunen. Bodems met veel levende organismen houden meer koolstof en voedingsstoffen vast en kunnen regenwater beter absorberen en vasthouden, wat allemaal cruciaal is in deze tijden van een verstoord klimaat.

Maar het meten van het leven in de bodem kan een tijdrovende bezigheid zijn, afhankelijk van wat men wil meten. Terwijl bacteri√ęn en schimmels niet met het blote oog te zien zijn, zijn mieren, larven en regenwormen dat wel.

In een van de trainingsvideo’s die we afgelopen februari in Bolivia hebben gefilmd, laat Eliseo Mamani van PROINPA, een wetenschappelijk en technologisch instituut, nauwkeurig zien hoe je samen met boeren de zichtbare bodemorganismen kunt meten. Het gebruik van een gestandaardiseerde methode om het bodemleven te meten is belangrijk als je wilt evalueren welk effect bepaalde landbouwpraktijken hebben op het bodemleven.

Op een vroege ochtend halen we Ana Mamani en Rubén Chipana op van hun huis om ons naar een veld op de altiplano te brengen dat al verschillende jaren wordt bewerkt en waar geen organische meststoffen zijn gebruikt. De boeren van Chiarumani, Patacamaya, ongeveer 100 kilometer ten zuiden van La Paz, hebben door gezamenlijk onderzoek geleerd dat er in sommige delen van het veld meer levende wezens zijn en in andere delen minder, dus nemen ze monsters van 3 delen van het veld.

Met een spade halen ze een blok grond weg van 20 centimeter breed, 20 centimeter lang en 20 centimeter diep. Ze doen al deze grond voorzichtig in een witte zak en sluiten deze goed af, zodat de levende wezens niet kunnen ontsnappen, want de regenwormen en andere levende wezens verplaatsen zich snel.

Daarna rijden we naar een andere plek, waar ze nog 3 monsters verzamelen van een veld dat organische mest heeft gekregen en waar organische groenten worden verbouwd. Alle monsters worden in blauwe zakken gedaan, allemaal netjes gelabeld.

Onder de schaduw van een boom hebben zich nog meer boeren verzameld om te beginnen met het tellen van de levende organismen. Een handvol grond per keer legen ze elke zak op een plastic dienblad. Als ze een levend wezen tegenkomen, pikken ze het er voorzichtig uit en rapporteren het aan Eliseo die aantekeningen maakt: hoeveel regenwormen, hoeveel mieren, hoeveel termieten, hoeveel kevers, hoeveel spinnen en hoeveel engerlingen.

Na een uur worden de resultaten opgeteld en de monsters vergeleken: er zitten alleen veel regenwormen in de grond van het veld dat organische mest heeft gekregen. De boeren bespreken de bevindingen in groep en concluderen: Als je bodem weinig levende wezens heeft, kun je je bodem tot leven brengen door dierlijke mest of compost toe te voegen, door gewasresten op het veld te laten liggen en ze niet te verbranden. Je kunt het bodemleven ook verbeteren door minder te ploegen, want ploegen verstoort bacteri√ęn, schimmels en dieren die vruchtbaarheid aan de bodem toevoegen.

Na terugkomst van onze reis naar Bolivia ben ik nog steeds aan het nadenken over de vele dingen die we hebben geleerd van boeren en de organisaties die samen met hen eenvoudig, maar relevant onderzoek doen, als Marcella naar de velden voor ons kantoor wijst. In maart, aan het begin van de lente, zijn de mollen het actiefst. Het is opvallend: het veld links, dat al een paar jaar niet geploegd of bemest is, heeft veel molshopen. Het veld rechts wordt intensief beheerd en heeft geen enkele molshoop. Door ploegen vermindert het organisch materiaal, dat voedsel is voor regenwormen. Herbiciden en pesticiden doden het bodemleven, waaronder regenwormen. Ook vloeibare mest, die in heel Vlaanderen en Nederland overvloedig wordt gebruikt, kan regenwormen doden, vooral wanneer koeien antibiotica en andere medicijnen hebben gekregen. Vloeibare mest kan ook zware metalen bevatten die worden gebruikt voor diervoeder, zoals zink en koper.

Regenwormen kunnen worden geteld en gebruikt als bio-indicatoren voor de gezondheid van de bodem. Wanneer dit in samenwerking met boerengroepen wordt gedaan, helpt dit boeren te begrijpen hoe bepaalde landbouwpraktijken de gezondheid van hun bodem en de duurzaamheid van hun boerderij op de lange termijn be√Įnvloeden. Maar indien je geen tijd hebt om bodemmonsters te nemen met een spade, bieden bovengrondse indicatoren zoals molshopen een snel alternatief.

Bekijk de video

Seeing the life in the soil

European deserts, coming soon June 11th, 2023 by

Nederlandse versie hieronder

Not a single day passes without news of the increasing challenges farmers face in Europe and in much of the world. Rainfall has become more erratic and intense, and heatwaves are becoming the new normal. We should all be concerned about the speed at which climate change is affecting our planet. How we decide to live, what to eat, where to source our food, and how we spend our leisure time cut across all of society: agriculture, industry, tourism, transport, as well as urban planning and rural land use.

According to the main Spanish farmers‚Äô association, the Coordinator of Farmers‚Äô and Livestock Owners‚Äô Organizations (COAG), drought affects 60% of Spain’s countryside and has destroyed crops across 3.5 million hectares. This is more than double the farm land we have in Belgium and six times that of Flanders.

Three years of very low rainfall and high temperatures have put Spain officially into long-term drought. This year, losses are not limited to wheat, barley and maize, but also expected for nuts, orchards, vineyards, olives, sunflower and vegetable farming. As vegetation is scarce, bees are failing to make honey. Beekeepers are facing a third consecutive season without a harvest. According to a recent CNN article Disappearing lakes, dead crops and trucked-in water, these conditions point to a new reality for parts of Europe, which is warming twice as fast as the global average.

Farms are not the only places in trouble. Municipal water systems are dryer across much of southern Europe. In Italy, in April this year extreme drought was already affecting Lombardy and Piedmont, with 19 towns experiencing the highest level of shortage. Some places have already started receiving water in tanker trucks.

As it takes 15,000 litres of water to produce 1 kilogram of beef and 3,000 litres of water to produce 1 kilogram of cheese, it is no wonder that livestock farming is also at risk. After all, farmers need pasture to feed their animals. When a choice has to be made between ensuring drinking water for its citizens or irrigating pasture and crops to feed animals, governments usually favour cities over farms, but countries need both.

Often governments come up with short-term solutions, such as asking people to stop watering their lawns or washing their cars, instead of planning for long-term measures to conserve water. Different food and fodder crops (and combinations) need to be promoted; more trees and living hedges need to be planted in and around fields to reduce evaporation by the hot sun and dry winds. Above all, measures are needed to store more carbon in the soil.

Enabling citizens to have online access to real-time monitoring of the depth of the groundwater, a natural resource that is invisible, could help to sensitise all of us about the need to conserve water.¬† Groundwater drops quickly due to continuous pumping yet rises only slowly as it is recharged by rainwater from the surface. While monitoring is needed, let us not be na√Įve and think that when the groundwater table is recharged, households, industry and farming can go back to using water in an unlimited way. Already in rural Belgium, even though we had the wettest spring since records began to be kept in 1833, in the countryside we see many old oak trees suffering from the three previous years of water and heat stress.

In many European countries, agricultural lobby groups aggressively sustain their opinion that the livestock sector should not shrink in order to survive. With all that is happening, how long will they be able to continue taking such an unrealistic position? Animals can be properly fed with technologies that use water and fossil fuels more efficiently , but technological solutions also have their limitations. If lobby groups do not help their members to adapt, the climate will soon dictate what is possible and what is not. The changes we see in southern Europe should set off alarms in the north as well.

If we are unable to quickly and drastically curb greenhouse gas emissions and invest in an agriculture that helps to cool the planet, rather than deplete its natural resources, we will soon no longer need to fly to the Sahara to see a desert. Climate refugees will come from Southern Europe, and we will scratch our heads and wonder why many of our favourite food products are no longer available or affordable.

Sources

Bertelli, Michele. 2023. ‘No water, no life’: Drought threatens farmers and food in Italy. https://www.context.news/climate-risks/no-water-no-life-drought-threatens-farmers-and-food-in-italy

CNN. 2023. Disappearing lakes, dead crops and trucked-in water: Drought-stricken Spain is running dry. https://edition.cnn.com/2023/05/02/europe/spain-drought-catalonia-heat-wave-climate-intl/index.html

Related Agro-Insight blogs

The times they are a changing

Capturing carbon in our soils

Gabe Brown, agroecology on a commercial scale

HuŐągelkultur

Rotational grazing

Soil for a living planet

A revolution for our soil

Recovering from the quinoa boom

From soil fertility to cheese

Creativity of the commons

Killing the soil with chemicals (and bringing it back to life)

The nitrogen crisis

Farmer learning videos on adaptation to climate change

Improved pasture for fertile soil

Rotational grazing

Living windbreaks to protect the soil

Mulch for a better soil and crop

Hydroponic fodder

Intercropping maize with pigeon peas

Growing azolla for feed

Water users’ associations

Drip irrigation for tomato

Pitcher irrigation

 

Europese woestijnen, binnenkort

Er gaat geen dag voorbij zonder nieuws over de toenemende uitdagingen waar boeren in Europa en een groot deel van de wereld voor staan. Regenval is grilliger en intenser geworden en hittegolven worden het nieuwe normaal. We zouden ons allemaal zorgen moeten maken over de snelheid waarmee klimaatverandering onze planeet be√Įnvloedt. De manier waarop we besluiten te leven, wat we eten, waar we ons voedsel vandaan halen en hoe we onze vrije tijd doorbrengen, heeft invloed op de hele maatschappij: landbouw, industrie, toerisme, transport, maar ook stadsplanning en landgebruik op het platteland.

Volgens de belangrijkste Spaanse boerenorganisatie COAG treft de droogte 60% van het Spaanse platteland en heeft het gewassen vernietigd op 3,5 miljoen hectare. Dat is meer dan het dubbele van de landbouwgrond in Belgi√ę en zes keer zoveel als in Vlaanderen.

Drie jaar van zeer weinig neerslag en hoge temperaturen hebben Spanje officieel in langdurige droogte gebracht. Dit jaar blijven de verliezen niet beperkt tot tarwe, gerst en ma√Įs, maar worden ook verliezen verwacht voor noten, boomgaarden, wijngaarden, olijven, zonnebloemen en de groenteteelt. Omdat de vegetatie schaars is, lukt het bijen niet om honing te maken. Imkers worden geconfronteerd met een derde opeenvolgend seizoen zonder oogst. Volgens een recent CNN-artikel Verdwijnende meren, dode gewassen en aangevoerd water wijzen deze omstandigheden op een nieuwe realiteit voor delen van Europa, dat twee keer zo snel opwarmt als het wereldwijde gemiddelde.

Niet alleen boerderijen hebben problemen. Gemeentelijke watersystemen drogen in een groot deel van Zuid-Europa uit. In Itali√ę werden Lombardije en Piemonte in april van dit jaar al getroffen door extreme droogte, waarbij 19 steden te kampen hadden met het grootste tekort. Sommige plaatsen zijn al begonnen met het aanvoeren van water in tankwagens.

Aangezien er 15.000 liter water nodig is om 1 kilo rundvlees te produceren en 3.000 liter water om 1 kilo kaas te produceren, is het geen wonder dat ook de veehouderij gevaar loopt. Boeren hebben immers weiland nodig om hun dieren te voeden. Als er een keuze moet worden gemaakt tussen het veiligstellen van drinkwater voor de burgers of het irrigeren van weilanden en gewassen om dieren te voeden, geven regeringen meestal de voorkeur aan steden boven boerderijen, maar landen hebben beide nodig.

Vaak komen regeringen met kortetermijnoplossingen, zoals mensen vragen om te stoppen met het besproeien van hun gazons of het wassen van hun auto’s, in plaats van langetermijn maatregelen te plannen om water te besparen. Verschillende voedsel- en voedergewassen (en combinaties daarvan) moeten worden gepromoot; er moeten meer bomen en levende heggen worden geplant in en rond akkers om de verdamping door de hete zon en droge wind te verminderen. Bovenal zijn er maatregelen nodig om meer koolstof in de bodem op te slaan.

Door burgers online toegang te geven tot realtime monitoring van de diepte van het grondwater, een natuurlijke hulpbron die onzichtbaar is, kunnen we ons allemaal bewust worden van de noodzaak om water te besparen.¬† Grondwater daalt snel als gevolg van voortdurend pompen, maar stijgt slechts langzaam als het wordt aangevuld door regenwater van het oppervlak. Hoewel monitoring nodig is, moeten we niet na√Įef zijn en denken dat wanneer het grondwaterpeil weer wordt aangevuld, huishoudens, industrie en landbouw weer onbeperkt water kunnen gebruiken. Hoewel we in Belgi√ę de natste lente sinds het begin van de metingen in 1833 hebben gehad, zien we op het platteland al veel oude eikenbomen die lijden onder de drie voorgaande jaren van water- en hittestress.

In veel Europese landen houden landbouwlobbygroepen agressief vol dat de veehouderij niet mag inkrimpen om te overleven. Hoe lang kunnen ze zo’n onrealistisch standpunt blijven innemen, nu er zoveel gebeurt? Dieren kunnen goed gevoed worden met technologie√ęn die effici√ęnter gebruik maken van water en fossiele brandstoffen, maar technologische oplossingen hebben ook hun beperkingen. Als lobbygroepen hun leden niet helpen om zich aan te passen, zal het klimaat snel dicteren wat mogelijk is en wat niet. De veranderingen die we in Zuid-Europa zien, zouden ook in het noorden alarmbellen moeten doen rinkelen.

Als we er niet in slagen om de uitstoot van broeikasgassen snel en drastisch te beperken en te investeren in een landbouw die de planeet helpt afkoelen in plaats van haar natuurlijke hulpbronnen uit te putten, dan hoeven we binnenkort niet meer naar de Sahara te vliegen om een woestijn te zien. Klimaatvluchtelingen zullen uit Zuid-Europa komen en wij zullen ons op het hoofd krabben en ons afvragen waarom veel van onze favoriete voedingsproducten niet meer verkrijgbaar of betaalbaar zijn.

Proinpa: Agricultural research worth waiting for May 21st, 2023 by

Vea la versi√≥n en espa√Īol a continuaci√≥n

Agricultural research is notoriously slow. It takes years to bear fruit, and donor-funded agencies don’t always last very long. But Bolivia got lucky with one organization that survived.

It started in 1989, when the Swiss funded a project to do potato research, the Potato Research Program (Proinpa), working closely with a core staff of four scientists from the International Potato Center (CIP). Most of the other staff were young Bolivians, including many thesis students.

Ten years later, in 1998, it was time to fold up the project, but some visionary people from Proinpa, with enthusiastic support of Swiss and CIP colleagues, decided to give Proinpa a new life as a permanent agency or foundation.

By then ‚ÄúProinpa‚ÄĚ had some name-brand recognition, so they wisely kept the acronym, but changed the full name to ‚ÄúPromotion and Research of Andean Products.‚ÄĚ Proinpa‚Äôs leaders were not going to limit themselves to potatoes any more. The Swiss provided an endowment to pay for core costs, but it was not enough to run the whole organization.

Proinpa went through some rough times. When they stopped being a project, they had to give up their spacious offices in the city of Cochabamba. For a while they rented an aging building far from the city that had been used as a government rabies control center. Later, they could only afford one floor of that building. I remember being there on moving day, years ago, when they were all cramming into the smaller space, happily carrying boxes of files to squeeze together into shared offices. They were surviving.

Survival was important. Public-sector agricultural research in Bolivia was going through some rough times. The Bolivian Institute of Agricultural and Livestock Research (IBTA) closed in 1997 and its replacement died a few years later. Government agricultural research only started again In 2008, when the National Institute of Agricultural and Livestock and Forestry Innovation (INIAF) was created. During those years, Proinpa was an outstanding center for agricultural research in Bolivia, and curated priceless collections of potatoes and quinoas.

That potato seedbank was kept at Toralapa, in the countryside some 70 km from the city of Cochabamba. Over the years, Proinpa had expanded the collection from 1000 accessions to 4000. This biodiversity is the source of genetic material that plant breeders need to create new varieties. In 2010, the government, which owned the station at Toralapa, turned it over to INIAF. Proinpa worked with INIAF for a year, to ensure a stable transition, and the government of Bolivia still maintains that collection of potatoes and other Andean crops.

Proinpa recently asked me to join them for their 25th anniversary event, held at their small campus, built after 2005. The celebration started with tours of stands, where Proinpa highlighted their most important research.

Dr. Ximena Cadima, member of the Bolivian Academy of Science, explained how Proinpa has used its knowledge of local crops to breed 69 officially released new varieties, of the potato, quinoa and seven other crops. They also encouraging farmers to grow native potatoes on their farms, which is also crucial for keeping these unique crops alive.

Luis Crespo, entomologist, and Giovanna Plata, plant pathologist, explained their research to develop ecological alternatives to pest control. Luis talked about his work with insect sex pheromones. One of the many things he does is to dissect female moths and remove their scent glands, which he sends to a company in the Netherlands that isolates the sex pheromone from the glands. The company synthesizes the pheromone, makes more of it, and Proinpa uses it to bait traps. Male moths smell the pheromone, think it is a receptive female and fly to it. The frustrated males die in the trap. The females can’t lay eggs without mating, eliminating the next generation of pests before they are born.

Giovana showed us how they study the microbes that kill pathogens. She places different fungi and bacteria in petri dishes to see which microorganisms can physically displace the germs that cause crop diseases. She also isolates plant growth hormones, produced by the good microbes.

This background work on the ecology of microbes has informed Proinpa’s efforts to create a new industry of benign pest control. Jimmy Ciancas, an engineer, led us around Proinpa’s new plant, where they produce tons of beneficial bacteria and fungi to replace the chemicals that farmers use to control pests and diseases.

Proinpa also shows off the research by Dr. Alejandro Bonifacio and colleagues who are developing windbreaks of native plants and sowing wild lupines as a cover crop. This research aims to save the high Andes from the devastating erosion unleashed when the Quinoa Boom of 2010-2014 stripped away native vegetation. The soil simply blew away.

Later, we moved to Proinpa’s comfortable lunch room, which is shaded, but open to the air on three sides, perfect for Cochabamba’s climate. The place had been set up as a formal auditorium, where, for over an hour, Proinpa gave plaques to honor some of the many organizations that had helped them over the years: universities, INIAF, small-town mayors in the municipalities where Proinpa does field work. Many organizations reciprocated, giving Proinpa an award right back. Proinpa has survived because of good leadership, and because of its many friends.

In between the speeches, I got a chance to meet the man sitting next to me, Lionel Ichazo, who supervises three large, commercial farms for a food processing company in the lowlands of Eastern Bolivia. They grow soya in the summer and wheat and sorghum in the winter. Lionel confirmed what Proinpa says, that the use of natural pesticides is exploding on the low plains. Lionel uses Proinpa’s natural pesticides as a seed dressing to control disease. Lionel, who is also an agronomist and a graduate of El Zamorano, one of Latin America’s top agricultural universities (in Honduras), said that he noticed how the soil has been improving over the four years that he has used the microbes. The microorganisms were break down the crop stubble into carbon that the plants can use. Lionel added that most of the large-scale farmers are still treating their seeds with agrochemicals. But they are starting to see that the biological products work, at affordable prices, and are often even cheaper than the chemicals. Of course, the biologicals are safer to handle, and environmentally friendly. And that is key to their success. Demand is skyrocketing.

It has taken many years of research to produce environmentally-sound, biological pesticides that can convince large-scale commercial farmers to start to transition away from agrochemicals. I thought back to a time about 15 years earlier, when I saw Proinpa doing trials with farmers near Cochabamba. That was an early stage of these scientifically-sound natural products. Agricultural research is slow by nature, but like a fruit tree that takes years to mature, the wait is worth the while.

Related Agro-Insight blogs

Don’t eat the peels

Commercializing organic inputs

The best knowledge is local and scientific

Recovering from the quinoa boom

Related videos

Making enriched biofertilizer

Living windbreaks to protect the soil

The wasp that protects our crops

Managing the potato tuber moth

Acknowledgements

Paul Van Mele, Graham Thiele, Rolando Oros, Jorge Blajos and Lionel Ichazo read and commented on an earlier version of this blog.

PROINPA: INVESTIGACI√ďN AGR√ćCOLA QUE VALE LA PENA ESPERAR

Jeff Bentley, 21 de mayo del 2023

La investigaci√≥n agr√≠cola es notoriamente lenta. Tarda a√Īos en dar frutos, y los programas financiados por donantes suelen durar poco tiempo. Pero Bolivia tuvo suerte con una organizaci√≥n que sobrevivi√≥.

Empezó en 1989, cuando los suizos financiaron un proyecto nuevo, el Proyecto de Investigación de la Papa (Proinpa), en colaboración con cuatro científicos del Centro Internacional de la Papa (CIP). Casi todo el resto del personal eran jóvenes bolivianos, entre ellos muchos tesistas.

Diez a√Īos despu√©s, en 1998, lleg√≥ el momento de cerrar el proyecto, pero algunas personas visionarias de Proinpa, con el apoyo entusiasta de colegas suizos y del CIP, decidieron dar a Proinpa una nueva vida como agencia o fundaci√≥n permanente.

Para entonces “Proinpa” ya ten√≠a cierto reconocimiento como marca, as√≠ que sabiamente mantuvieron el acr√≥nimo, pero cambiaron el nombre completo a “Promoci√≥n e Investigaci√≥n de Productos Andinos”. Los dirigentes de Proinpa ya no iban a limitarse a las papas. Los suizos aportaron una dotaci√≥n para cubrir los gastos b√°sicos, pero no era suficiente para hacer funcionar toda la organizaci√≥n.

Proinpa pas√≥ por momentos dif√≠ciles. Cuando dejaron de ser un proyecto, tuvieron que abandonar sus amplias oficinas de la ciudad de Cochabamba. Durante un tiempo alquilaron un viejo edificio alejado de la ciudad que hab√≠a sido un centro gubernamental de control de la rabia. M√°s tarde, s√≥lo pudieron pagar una planta de ese edificio. Recuerdo estar all√≠ el d√≠a de la mudanza, hace a√Īos, cuando todos se dieron modos para entrar en el espacio m√°s peque√Īo, cargando alegremente cajas de archivos para apretarse en oficinas compartidas. Estaban sobreviviendo.

Sobrevivir era importante. La investigaci√≥n agraria p√ļblica en Bolivia atravesaba tiempos dif√≠ciles. El Instituto Boliviano de Investigaci√≥n Agropecuaria (IBTA) cerr√≥ en 1997 y su sustituto muri√≥ pocos a√Īos despu√©s. La investigaci√≥n agropecuaria estatal no se reanud√≥ hasta 2008, cuando se cre√≥ el Instituto Nacional de Innovaci√≥n Agropecuaria y Forestal (INIAF). Durante esos a√Īos, Proinpa fue un destacado centro de investigaci√≥n agr√≠cola en Bolivia, y conserv√≥ invaluables colecciones de papa y quinua.

Ese banco de semillas de papa se manten√≠a en Toralapa, en el campo, a unos 70 km de la ciudad de Cochabamba. Con los a√Īos, Proinpa hab√≠a ampliado la colecci√≥n de 1000 accesiones a 4000. Esta biodiversidad es la fuente de material gen√©tico que necesitan los fitomejoradores para crear nuevas variedades. En 2010, el Gobierno, que era propietario de la estaci√≥n de Toralapa, la cedi√≥ al INIAF. Proinpa trabaj√≥ con el INIAF durante un a√Īo para garantizar una transici√≥n estable, y el Gobierno de Bolivia sigue manteniendo esa colecci√≥n de papas y otros cultivos andinos.

Hace poco, Proinpa me pidi√≥ que me uniera a ellos en el acto de su 25 aniversario, celebrado en su peque√Īo campus, construido despu√©s de 2005. La celebraci√≥n comenz√≥ con visitas a los stands, donde Proinpa destac√≥ sus investigaciones m√°s importantes.

La Dra. Ximena Cadima, miembro de la Academia Boliviana de Ciencias, explic√≥ c√≥mo Proinpa ha usado su conocimiento de los cultivos locales para obtener 69 nuevas variedades oficialmente liberadas de papa, quinua y siete cultivos m√°s. Tambi√©n animan a los agricultores a cultivar papas nativas en sus chacras, lo que tambi√©n es crucial para mantener vivos estos cultivos √ļnicos.

Luis Crespo, entomólogo, y Giovanna Plata, fitopatóloga, explicaron sus investigaciones para desarrollar alternativas ecológicas al control de plagas. Luis habló de su trabajo con las feromonas sexuales de los insectos. Una de las muchas cosas que hace es disecar polillas hembras y extraerles las glándulas de olor, que envía a una empresa en Holanda que aísla la feromona sexual de las glándulas. La empresa sintetiza la feromona, fabrica más y Proinpa la usa para cebo de trampas. Las polillas machos huelen la feromona, piensan que se trata de una hembra receptiva y vuelan hacia ella. Los machos frustrados mueren en la trampa. Las hembras no pueden poner huevos sin aparearse, lo que elimina la siguiente generación de plagas antes de que nazcan.

Giovana nos mostró cómo estudian los microbios que matan a los patógenos. Coloca diferentes hongos y bacterias en placas Petri para ver qué microorganismos pueden desplazar físicamente a los gérmenes que causan enfermedades en los cultivos. También aísla hormonas de crecimiento de plantas, producidas por los microbios buenos.

Este trabajo sobre la ecología de los microbios ha permitido a Proinpa crear una nueva industria de control natural de plagas. Jimmy Ciancas, ingeniero, nos guio por la nueva planta de Proinpa, donde producen toneladas de bacterias y hongos benéficos para sustituir a los químicos que los agricultores fumigan para controlar plagas y enfermedades.

Proinpa también nos mostró las investigaciones del Dr. Alejandro Bonifacio y sus colegas, que están desarrollando rompevientos con plantas nativas y sembrando tarwi silvestre como cultivo de cobertura. Esta investigación tiene como objetivo salvar a los altos Andes de la devastadora erosión desatada cuando el boom de la quinua de (2010-2014) arrasó con la vegetación nativa. El suelo simplemente se voló.

M√°s tarde, nos trasladamos al confortable comedor de Proinpa, sombreado pero abierto al aire por tres lados, perfecto para el clima de Cochabamba. El lugar hab√≠a sido acondicionado como un auditorio formal, donde, durante m√°s de una hora, Proinpa entreg√≥ placas en honor a algunas de las muchas organizaciones que les hab√≠an ayudado a lo largo de los a√Īos: universidades, INIAF, alcaldes de municipios donde Proinpa hace trabajo de campo. Muchas organizaciones reciprocaron, entregando a Proinpa premios que ellos trajeron. Proinpa ha sobrevivido gracias a un buen liderazgo y a sus muchos amigos.

Entre los discursos, tuve la oportunidad de conocer al hombre sentado a mi lado, Lionel Ichazo, que supervisa tres fincas comerciales para una empresa molinera en las tierras bajas del este de Bolivia. Cultivan soya en verano y trigo y sorgo en invierno. Lionel confirm√≥ lo que Proinpa dice, que el uso de plaguicidas naturales se est√° disparando en las llanuras bajas. Lionel usa los plaguicidas naturales de Proinpa como tratamiento de semillas para controlar las enfermedades. Lionel, que tambi√©n es ingeniero agr√≥nomo y graduado de El Zamorano, una de las mejores universidades agr√≠colas de Am√©rica Latina (en Honduras), dijo que not√≥ c√≥mo el suelo ha ido mejorando durante los cuatro a√Īos que ha usado los microbios. Los microorganismos descompon√≠an los rastrojos en carbono que las plantas pod√≠an usar. Lionel a√Īadi√≥ que la mayor√≠a de los agricultores a gran escala siguen usando agroqu√≠micos en el tratamiento de semillas. Sin embargo, se est√° viendo que los productos biol√≥gicos funcionan, con precios accesibles y hasta m√°s baratos que los qu√≠micos. Por supuesto son m√°s sanos para el manipuleo y amigables con el medio ambiente. Y eso es la clave del √©xito de los productos. La demanda se est√° disparando.

Ha tomado muchos a√Īos de investigaci√≥n para producir plaguicidas biol√≥gicos que cuidan el medio ambiente y que puedan convencer a los agricultores comerciales para que empiecen a abandonar los productos agroqu√≠micos. Me acord√© de una √©poca, unos 15 a√Īos antes, cuando vi a Proinpa haciendo ensayos con agricultores cerca de Cochabamba. Aquella fue una etapa temprana de estos productos naturales con base cient√≠fica. La investigaci√≥n agr√≠cola es lenta por naturaleza, pero como un √°rbol frutal que tarda a√Īos en madurar, la espera vale la pena.

Previamente en el blog de Agro-Insight

No te comas las c√°scaras

Commercializing organic inputs

El mejor conocimiento es local y científico

Recuper√°ndose del boom de la quinua

Videos relacionados

Cómo hacer un abono biofoliar

Barreras vivas para proteger el suelo

La avispa que protege nuestros cultivos

Manejando la polilla de la papa

Agradecimientos

Paul Van Mele, Graham Thiele, Rolando Oros, Jorge Blajos y Lionel Ichazo leyeron e hicieron comentarios valiosos sobre una versión previa de este blog.

.

 

Soil science, different but right April 23rd, 2023 by

Vea la versi√≥n en espa√Īol a continuaci√≥n

Soil may be the basis of farming, and therefore of almost all of our food, but farmers and soil scientists see the soil in completely different, if equally valid ways.

In Bolivia, I was recently making a video with Paul and Marcella on soil tests that extension agents can do with farmers. Our local expert was Eliseo Mamani, a gifted Bolivian agronomist.

Before our visit, Eliseo had prepared three soil tests in collaboration with soil scientist Steve Vanek. One of the tests uses bottles and sieves and cloth to separate out the ‚Äúparticulate organic matter‚ÄĚ, or POM ‚Ķ dark brown crumbs of carbon-rich, dead plant and animal litter that feed the plants. Good soil has more POM than poor soil.

In preparation for our visit, Eliseo had been practicing the soil tests with local farmers. He introduced us to Victoria Quispe, who farms and herds llamas and sheep with her husband. I asked do√Īa Victoria what made a good soil. I thought she might say something like its rich organic matter. She could have also said it has neutral pH, because one of the tests Eliseo had taught them was to use pH paper to see when soil is too acidic or too alkaline.

But no, do√Īa Victoria said, ‚ÄúWe know when the soil is good by the plants growing on it.‚ÄĚ The answer makes perfect sense. These communities on the high Altiplano grow potatoes for a year, then quinoa for a year, and then they fallow the land for at least six years. In that time, the high pampas become covered with native needle grass, and various species of native brush called t‚Äôula.

Later in the day, Eliseo led four farmers to do the POM test. They collected soil from a well-rested field and from one that had been recently cultivated. The group washed a sample of soil from each field and carefully sieved out the POM, little pieces about 2 mm across. Then Eliseo carefully arranged the particles into small disks on a piece of white paper. The soil from the tired soil yielded only enough POM to make a disk of 2 cm in diameter. But the circle from the rested soil was 6 cm across.

In other words, the well-rested soil was covered in native plants, and it had lots more particulate organic matter than the tired soil, which had only a light covering of plants. The scientific test and local knowledge had reached the same conclusion, that fallow can improve the soil. Soil scientists tend to look at what soil is made of. Farmers notice what will grow on it. Soil content, and its ecology are both important, but it is worth noting that scientists and local people can look at the world in different ways, and both can be right.

Previous Agro-Insight blog

Recovering from the quinoa boom

Further reading

For more details on the plants that grow on fallowed soil on the Altiplano, see:

Bonifacio, Alejandro, Genaro Aroni, Milton Villca & Jeffery W. Bentley (2022) Recovering from quinoa: Regenerative agricultural research in Bolivia, Journal of Crop Improvement, DOI: 10.1080/15427528.2022.2135155

A related video

Living windbreaks to protect the soil

Acknowledgements

Ing. Eliseo Mamani works for the Proinpa Foundation. This work was made possible with the kind support of the Collaborative Crop Research Program (CCRP) of the McKnight Foundation.

CIENCIAS DE SUELO, DIFERENTES PERO CORRECTOS

Jeff Bentley, 23 de abril del 2023

Puede que el suelo sea la base de la agricultura y, por tanto, de casi todos nuestros alimentos, pero los agricultores y los científicos de suelo ven el suelo de formas completamente distintas, aunque igualmente válidas.

Hace poco estuve en Bolivia grabando un vídeo con Paul y Marcella sobre las pruebas de suelo que los agentes de extensión pueden hacer con los agricultores. Nuestro experto local era Eliseo Mamani, un talentoso ingenieroagrónomo boliviano.

Antes de nuestra visita, Eliseo hab√≠a preparado tres pruebas de suelo en colaboraci√≥n con el edaf√≥logo Steve Vanek. Una de las pruebas usa botellas, tamices y telas para separar la “materia org√°nica particulada”, o MOP… migajas de color marr√≥n oscuro de hojarasca vegetal y animal muerta. Las part√≠culas son ricas en carbono, y alimentan a las plantas. La tierra buena tiene m√°s MOP que la tierra pobre.

Para preparar nuestra visita, Eliseo hab√≠a practicado las pruebas de suelo con agricultores locales. Nos present√≥ a Victoria Quispe, que cr√≠a llamas y ovejas con su marido. Le pregunt√© a do√Īa Victoria qu√© era un buen suelo. Pens√© que dir√≠a algo como que tiene mucha materia org√°nica. Tambi√©n podr√≠a haber dicho que tiene un pH neutro, porque una de las pruebas que Eliseo les hab√≠a ense√Īado era usar papel de pH para ver cu√°ndo el suelo es demasiado √°cido o demasiado alcalino.

Pero no, do√Īa Victoria dijo: “Sabemos cu√°ndo la tierra es buena por las plantas que crecen en ella”. La respuesta tiene mucho sentido. Estas comunidades del Altiplano cultivan papas durante un a√Īo, luego quinua durante otro, y despu√©s dejan la tierra en barbecho durante al menos seis a√Īos. En ese tiempo, la pampa alta se cubre de paja brava nativa, y de varias especies de arbustos nativos llamados t’ula.

M√°s tarde, Eliseo llev√≥ a cuatro agricultoras a hacer la prueba de la MOP. Recogieron tierra de un campo bien descansado y de una parcela que hab√≠a sido cultivada recientemente. El grupo lav√≥ una muestra de tierra de cada campo y tamiz√≥ cuidadosamente la MOP, peque√Īos trozos de unos 2 mm de di√°metro. A continuaci√≥n, Eliseo dispuso cuidadosamente las part√≠culas en peque√Īos discos sobre un trozo de tela blanca. La tierra del suelo cansado s√≥lo dio suficiente MOP para hacer un disco de 2 cm de di√°metro. Pero el c√≠rculo de la tierra descansada ten√≠a 6 cm de di√°metro.

En otras palabras, el suelo bien descansado estaba cubierto de plantas nativas y tenía muchas más partículas de materia orgánica que el suelo cansado, que sólo tenía una ligera capa de plantas. La prueba científica y el conocimiento local habían llegado a la misma conclusión: que el barbecho puede mejorar el suelo. Los científicos de suelo tienden a fijarse en de qué está hecho el suelo. Los agricultores se fijan en lo que crece en él. Tanto el contenido del suelo como su ecología son importantes, pero hay que tener en cuenta que los científicos y la población local pueden ver el mundo de formas distintas, y ambos pueden tener razón.

Previamente en el blog de Agro-Insight

Recuper√°ndose del boom de la quinua

Lectura adicional

Bonifacio, Alejandro, Genaro Aroni, Milton Villca & Jeffery W. Bentley (2022) Recovering from quinoa: Regenerative agricultural research in Bolivia, Journal of Crop Improvement, DOI: 10.1080/15427528.2022.2135155

Un video relacionado al tema

Barreras vivas para proteger el suelo

Agradecimiento

El Dr. Ing. Eliseo Mamani trabaja para la Fundación Proinpa. Este trabajo se hizo con el generoso apoyo del Programa Colaborativo de Investigación de Cultivos (CCRP) de la Fundación McKnight.

Design by Olean webdesign